Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 11, tekst 5G: De consul laat Hispala halen (39.12, 1-9)

1 In de mening dat er een voldoende onderzoek is ingesteld naar Aebutius dat hij geen ongeloofwaardige getuige is, vraagt hij, nadat Aebutia is weggestuurd, zijn schoonmoeder om de vrijgelaten vrouw Hispala eveneens van de Aventijn, niet onbekend aan de buurt, bij zich te laten komen: dat er ook bepaalde dingen zijn die hij haar wilde vragen. Hispala, ontsteld bij het bericht hiervan, omdat zij bij zon aanzienlijke en voorname vrouw, zonder te weten waarom, ontboden werd, bestierf het bijna van angst, nadat zij de lictoren in het voorportaal had gezien, het gevolg van de consul en 5 de consul zelf. Toen zij naar het binnenste deel van het huis is weggeleid, nadat zijn schoonmoeder erbij is gehaald, zegt de consul, dat zij, als zij zich zou kunnen voornemen de waarheid te spreken, zich niet ongerust hoeft te maken: ze moest of Sulpicia, zon aanzienlijke vrouw, of hem vertrouwen; ze moest aan hem uiteenzetten wat er in het bos van Stimula bij de Bacchanalia in het nachtelijk ritueel gewoon was te gebeuren. Zodra zij dit hoorde, greep zon grote angst en het beven van al haar ledematen de vrouw aan, dat zij geen kik kon geven. Uiteindelijk moed gevat zei zij, dat zij als jong meisje als slavin 10 met haar meesteres was ingewijd: dat zij enkele jaren, sinds zij was vrijgelaten, geenszins wist wat daar gebeurt. De consul prees dit alleen al, dat zij niet ontkende dat zij ingewijd was: maar ze moest ook de overige dingen met hetzelfde vertrouwen uiteenzetten; tegen haar die ontkende verder iets te weten zei hij dat, als zij door een ander wordt beschuldigd, er voor haar niet dezelfde vergiffenis of welwillendheid zou zijn als voor haar wanneer ze uit zichzelf zou bekennen; dat diegene alles aan hem had uiteengezet, die het van haar had gehoord.