Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 3

Hoofdstuk 11, tekst 5A: Aebutius moet zich laten inwijden (39.9, 1-4)

1 Het verderf van dit kwaad drong van EtruriŽ door tot Rome als door de besmetting van een ziekte. Aanvankelijk verborg de grootte van de stad, die vatbaarder is voor en verdraagzamer (is) tegenover dergelijke kwaden, deze zaken; uiteindelijk bereikte een aangifte consul Postumius op ongeveer de volgende wijze. Publius Aebutius, wiens vader met een door de staat beschikbaar gesteld paard zijn militaire dienst doorlopen had, was, als weesjongen achtergelaten, nadat vervolgens zijn voogden waren gestorven, onder de voogdij van zijn moeder Duronia en zijn stiefvader Titus Sempronius Rutilus grootgebracht. Aan de ene kant 5 was zijn moeder haar man toegenegen, aan de andere kant verlangde zijn stiefvader, omdat hij het voogdijschap zů had uitgeoefend dat hij er geen rekenschap van af kon leggen, of dat zijn pupil werd omgebracht of dat hij door een of andere band afhankelijk van hem werd. Het enige middel om hem in het verderf te storten waren de BacchanaliŽn. De moeder richt zich tot de jongeman: (ze zegt) dat zij ten behoeve van hem toen hij ziek was, plechtig beloofd had dat zij hem, zodra hij beter was geworden, in de riten van de Bacchusverering zou inwijden; dat zij, verplicht tot het inlossen van deze belofte door de goedheid van de goden, deze (belofte) wil nakomen; dat er een onthouding van tien dagen nodig is; dat zij hem op de tiende dag, nadat hij gegeten heeft (en) vervolgens gereinigd is, naar het heiligdom zal brengen.