Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 2 nieuwe druk

Hoofdstuk 31, tekst A: Christenen als oorzaak van al het kwaad.

1. Er zijn mensen de menen dat de christenen de oorzaak van elke openbare ramp, (en) van elk ongeluk van het volk. Als de Tiber de muren over stroomt, als de Nijl de akkers niet overstroomt, als de aarde heeft gebeefd/ er een aardbeving is geweest, wordt er meteen uitgeroepen: 'De christenen
5. voor de leeuw(en)!' Als er geen christenen zouden zijn, zou het volk anderen zoeken om te beschuldigen. Wie zou hieraan kunnen twijfelen? Maar de christenen worden onterecht beschuldigd. Want hoe grote rampen hebben vóór Tiberius, dat wil zeggen vóór de komst van Christus, de wereld en de stad getroffen! Je had kunnen zien dat Griekse eilanden door een aardbeving met vele duizenden (van) mensen te gronde gingen.
10. Waar waren toen - ik zeg niet christenen, de verschters van jullie goden, maar - jullie goden zelf? Je had kunnen zien dat het Capitool door de Galliërs bezet was. Toch werden jullie goden door allen vereerd. Niemand vereerde in Rome nog de ware God, toen Hannibal bij Cannae zoveel aanzienlijke Romeinen overwon. Als er/Stel dat er christenen waren,
15. zouden zij beschuldigd (kunnen) zijn. En Campanië klaagde toen nog niet over de christenen, toen het vuur uit zijn eigen berg Pompeji bedekte. Waarom worden dus de Christenen beschuldigd? Wie zou dit niet kunnen begrijpen? Het volk haat ze, en om hun haat te verdedigen verzinnen ze die beschuldiging.