Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 2 nieuwe druk

Hoofdstuk 27, tekst A: Taaloefeningen A t/m E

A.
1. hij groet C
2. hij groet
3. ik maak bang C
4. zij maken bang C
5. zijn maken bang
6. ik stuur C, ik zal sturen
7. wij nemen/pakken C
8. wij zullen nemen/pakken
9. wij nemen/pakken
10. jullie willen C
11. zij zijn C
12. zij zijn
13. jij hoort C
14. jij hoort
15. hij gaat C
16. ik ga C, haar (acc)
17. hij is C
18. hij is

B.
praes. ind.:
puto
frangis
flet
mandat
opprimitis

praes. conj.:
ambulet
cognoscant
moveat
rogem
expellam
toleremus
malimus
intereas

impf. ind.
confirmabant
cogebatis
premebamus
rogabam
excedebamus
regebatis

impf. conj.
tangeret
vellet
rediremus
daretis
timerent

futurum
ages
iubebit
expellam
opprimetis
perdes

C.
1. Ik vraag jou om naar de stad te komen; venias
2. Ik vroeg jou om naar de stad te komen; venires
3. Ik zal wachten, totdat jullie de poorten openen; aperiatis
4. Wij zijn bang, dat hij ziek is; sit
5. Hij is zo boos, dat hij haar niet wil helpen; nolit
6. Vecht, opdat je niet sterft/om niet te sterven!; pereas
7. Ik zal zeggen, waarom jij gelukkig bent; sis
8. Hij vraagt jullie, wat er gebeurt; fiat

D.
1. Je moet niet bang zijn/Wees niet bang.
2. Wat moet ik nu doen?
3. Laten wij ons verheugen over deze overwinning.
4. Laten wij niet vluchten/Wij moeten niet vluchten.
5. Op welke manier moeten we dit doen?
6. Laten wij de burgers aansporen om de stad te verlaten.
7. Nu moet ik/zal ik de stilte verbreken.
8. De consul moet zijn mening geven.
9. Wat moet de jongen zijn vader antwoorden?
10. Moeten wij hier blijven of van hier weggaan?

E.
1. Laten wij de deur openen en het huis binnengaan.
2. Jullie moeten niet menen dat jullie veilig zullen zijn wanneer/omdat de vijanden zijn weggegaan.
3. Laten wij leven en liefhebben! Het leven is kort.
4. De keizer draagt jullie op om standbeelden voor hem te plaatsen/neer te zetten.
5. Laten wij/wij moeten die vreemdelingen niet vertrouwen.
6. Laten wij blij zijn dat wij in korte tijd onze dochters zullen zien.
7. Ik ben bang dat zij door de zeer grote ramp omkomen.
8. Wij twijfelen of wij (moeten) blijven of weggaan.