Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 1 nieuwe druk

Hoofdstuk 18, tekst A: taaloefeningen

A.
1. qui; Hij, die jou prijst, is niet altijd jouw vriend.
2. QUOS = QUI; De Galliėrs, die wij hadden overwonnen, zonden gezanten.
3. qui; De man, die in de stad woont, is ons onbekend.
4. quae; Deze tempels, die jullie op het Capitool zien, hebben de Galliėrs niet kunnen verwoesten.
5. quae; Zij kopen alles, wat de burgers hebben achtergelaten. (lett. alle dingen, die)
6. quibus; De burgers, die de vijanden hebben gespaard, zijn gelukkig. (dwz. die door de vijanden zijn
gespaard)
7. cui; De slaaf die de meester heeft vergeven, bewaakt de paarden. (dwz. die van zijn meester vergiffenis heeft gekregen)
B.
1. Spartacus, die de aanvoerder van de slaven was, bleef met de zijnen lang op de berg Vesuvius.
2. De slaven, die door de hele streek zwierven, hebben vier mooie steden verwoest.
3. Omdat de soldaten van Spartacus geen wapens hadden, hebben zij zelf zwaarden uit/van ijzer gemaakt.
4. Het leger van de slaven nam het Romeinse legerkamp in, dat dichtbij de berg Vesuvius was.
5. De slaven, die in de dichtstbijzijnde steden woonden, wachtten blij op de komst van Spartacus.
6. Spartacus ging met de zijnen plotseling uit de berg en overwon Clodius Glaber, die hen wilde belegeren.
7. Nadat de slaven, die geen wapens hadden, van de berg waren afgedaald, begonnen de Romeinen meteen te vechten.