Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 1 nieuwe druk

Hoofdstuk 14, tekst A: taaloefeningen (werkboek p. 133)

A
1 Dixit amicum verum Marcum esse.
Hij zegt dat Marcus een echte vriend is
2 Dixit milites fortes pugnare.
Hij zegt dat de dappere soldaten vechten.
3 Dixit liberos dormire.
Hij zegt dat de kinderen slapen.
4 Dixit Puerum tacere
Hij zegt dat de jongen zwijgt
B
1 narrare -- te vertellen
2 rapere -- te roven
3 monere -- te waarschuwen
4 ponere -- te plaatsen
5 scire -- te weten
6 spectare -- te zien
7 audire -- te horen
8 sperare -- te hopen
9 solere -- gewoonlijk te doen
10 nolle -- niet te willen
11 esse -- te zijn
12 stare -- te staan
13 vincere -- te overwinnen
14 ammitere -- te verliezen
15 accipere -- te ontvangen
16 vulnerare -- te verwonden
17 apparere -- te verschijnen
18 cupere -- te begeren

D
1 Hij hoopte dat de slaven aanwezig waren.
2 Ik wil dat jij dit doet.
3 Jullie verlangen dat jullie slaven boeren zijn.
4 Livius vertelt dat de Romeinen de stad hebben achtergelaten.
5 Hij meent dat wij van het vaderland houden.
6 Ze voelen dat zij niet wreed zijn.
7 De oude man zag dat jullie ongedeerd waren.
8 Ik weet dat je dit overweegt.
9 De aanvoerder beveelt dat alle soldaten samenkomen.
10 Camillus meende dat Brennus wreed was.
11 De gewoonte si dat de inwoners de stad verdedigen.
12 Het gerucht gaat dat de aanvoerder Cammilus overwinnaar is.
13 Het is noodzakelijk dat we thuis wachten.
14 Zij begreopen dat zijn leven ongelukkig was.
15 Cammilus verbiedt dat zij het legerkamp verlaten.
16 Moeder zei dat vader blij was.
17 De soldaten zeiden dat de aanvoerder de hoop van de stad was.
18 De opperbevelhebber wil liever dat zijn eigen soldaten wreed zijn dan de slaven.
19 Ik verlang dat jullie mij vergeven.
20 Hij vond dat anderen het begrepen.