Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fortuna > Boek 1 nieuwe druk

Hoofdstuk 14, tekst A: taaloefeningen

A.
1. Dicit Marcum amicum verum esse = Hij zegt dat Marcus een echte vriend is
2. Dicit milites fortes pugnare = Hij zegt dat de dappere soldaten vechten.
3. Dicit liberos dormire = Hij zegt dat de kinderen slapen
4. Dicit puerum tacere = Hij zegt dat de jongen zwijgt
B.
1. Dixit Marcum amicum verum esse = Hij zei dat Marcus een echte vriend was
2. Dixit milites fortes pugnare = Hij zei dat de dappere soldaten vochten
3. Dixit liberos dormire = Hij zei dat de kinderen sliepen
4. Dixit puerum tacere = Hij zei dat de jongen zweeg
C.
1. narrare (te) vertellen
2. rape╦śre (te) grijpen/roven
3. mone»re (te) waarschuwen
4. pone╦śre (te) plaatsen
5. scire (te) weten
6. spectare (te) kijken naar
7. audire (te) horen
8. sperare (te) hopen
9. sole»re de gewoonte te hebben
10. nolle niet (te) willen
11. esse (te) zijn
12. stare (te) staan
13. vince╦śre (te) overwinnen
14. amitte╦śre (te) verliezen
15. accipe╦śre (te) ontvangen/verkrijgen
16. vulnerare (te) verwonden
17. appare»re (te) verschijnen
18. cupe╦śre (te) verlangen
D.
1. Hij hoopte dat de slaven aanwezig waren.
2. Ik wil dat jij dit doet.
3. Jullie verlangen dat jullie slaven boeren zijn/dat de boeren jullie slaven zijn.
4. Livius vertelt dat de Romeinen de stad hebben verlaten
5. Hij meent dat wij van het vaderland houden.
6. Zij bemerken dat zij (niet zijzelf!) niet wreed zijn.
7. De oude man zag dat jullie ongedeerd waren.
8. Ik weet dat jij dit denkt.
9. De aanvoerder beveelt alle soldaten bijeen te komen.
10. Camillus meende dat Brennus wreed was.
11. Het is de gewoonte dat de burgers de stad verdedigen.
12. Het gerucht gaat (lett. is) dat de aanvoerder Camillus de overwinnaar is.
13. Het is noodzakelijk dat wij thuis blijven.
14. Zij begrepen dat zijn leven ongelukkig was.
15. Camillus verbiedt dat zij het kamp verlaten.
16. Moeder zei dat vader blij was.
17. De soldaten zeiden dat de aanvoerder de hoop van de stad was.
18. De opperbevelhebber wil liever dat zijn soldaten wreed zijn dan slaven.
19. Ik verlang (ernaar) dat jullie mij vergeven.
20. Hij meende dat anderen dit begrepen.

E.
1. Hij weet dat hij de Romeinse staat verdedigt.
2. Zij weten dat ze de Romeinse staat verdedigen.
3. Hij begon ons te roepen, toen hij had gezien dat allen aanwezig waren.
4. Camillus zei dat de soldaten de Romeinen niet vrezen/dat de Romeinen de soldaten niet vrezen/dat de Romeinse soldaten niet bang zijn.
5. Vecht voor je huis, voor je echtgenoten, voor je vaderland!
6. De aanvoerder van de Romeinen schreeuwde uit dat hij niet alleen de vijand kon overwinnen.
7. Zij begrijpen dat ze niet kunnen vluchten.
8. De vrouw begreep dat zij niet kon vluchten.
9. ĹIk weet dat ik niets weetĺ, zei de oude man.
10. Ik beveel jou mij te helpen.
11. Ik wil liever dat allen blijven.
12. De soldaten zeiden dat zij de GalliŰrs uit de stad wilden verdrijven.
13. De soldaat zegt dat hij alleen de GalliŰrs uit de stad kan verdrijven.