Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fabulae

Hoofdstuk 50, oefening 249: Amor en Psyche worden in de echt verbonden

Er waren eens in zekere stad een koning en koningin. Zij hadden drie dochters, zeer bevallig van gestalte, waarvan echter de jongste zo opvallend, zo schitterend van schoonheid was, dat ze in menselijke taal niet voldoende geprezen kon worden. Spoedig bereikte een gerucht de dichtstbij gelegen steden en naburige provincies dat er een godin, door de baren der zee verwekt, midden tussen de gemeenschappen van het volk verbleef. Door lange reizen te ondernemen stroomden vele burgers en vreemdelingen samen bij het spektakel van de eeuw en vereerde met een religieuze bewondering het meisje als de godin Venus zelf. Het meisje werd veelvuldig met offergaven en smeekbeden bedacht en in haar menselijke gedaante werd zij welwillend bejegend als een goddelijk wezen. Het feit echter dat een cultus, voorbehouden aan de hemel, overgedragen werd op een sterfelijk meisje, deed het gemoed van de echte Venus hevig ontvlammen: "Maar niet met een blij gevoel zal diegene, wie zij ook is, de vruchten plukken van eerbewijzen die voor mij bestemd zijn," zei zij. "Niet zal die schoonheid haar tot voordeel zijn! Nu zal ik zorgen dat ze juist van die schoonheid spijt krijgt."
En terstond roept ze haar gevleugelde en met pijlen gewapende zoon. Zij leidt hem naar die stad en terwijl ze Psyche - zo heette het meisje - aanwees, zei zij: "Door die sterfelijke vrouw word ik geminacht. Ik smeek en beveel jou dus bij de zoete verwondingen van jouw pijl: wreek het onrecht jegens jouw moeder! Laat die maagd zo in beslag genomen worden door de verliefdheid van een zeer lage en uiterst verwerpelijke man, dat zij op de hele wereld geen gelijke in haar ellende vindt." [ZIE OPMERKING ONDERAAN]
Intussen heeft Psyche geen enkel voordeel van haar bekoorlijkheid. Zij wordt door allen bekeken, door allen bewonderd, maar niemand waagt het haar ten huwelijk te vragen. Zij adoreren weliswaar haar goddelijk voorkomen, maar allen bewonderen haar als was zij een beeld. Terwijl haar zusters reeds met koninklijke echtgenoten gehuwd zijn, zit de maagd Psyche ziek thuis, haar eenzaamheid bewenend. En dus raadpleegt de zeer beklagenswaardige vader van de allerongelukkigste dochter het orakel van de god Apollo. Ofschoon hij Grieks is, antwoordt de god in het Latijn als volgt: "Koning, plaats het meisje op de rotspunt van een hoge berg, en laat jij niet hopen op een schoonzoon, voortgekomen uit een sterfelijk geslacht, maar op een gevleugelde, ietwat onstuimige schoonzoon, die allen verwondt, die door onsterfelijken en mensen op gelijke wijze gevreesd wordt."
De eens gezegende koning gaat diepbedroefd naar huis en vertelt zijn echtgenote het goddelijk bevel. Zeer veel dagen treurt men, wordt er gehuild en gesmeekt. Ja zelfs de hele stad kreunde. Dan gaat men, met het hele volk voorop, naar de hoog oprijzende berg. De bedroefde ouders aarzelen om de misdadige handeling te volvoeren, maar uiteindelijk laten zij het meisje op de top van de berg achter. Zij keren terug naar huis en met gesloten deuren hebben zij zich overgeleverd aan een leven in permanente duisternis.
Moeiteloos echter tilt een lichte windvlaag van de blazende Zephyrus het angstige meisje op en deponeert haar op een frisse weide. Verkwikt door de slaap staat het meisje op. Zij ziet een groot bos en midden in het bos een fontein met het helderste water; dichtbij de fontein staat een paleis, niet gebouwd door mensenhanden maar gemaakt met goddelijk meesterschap. Zij komt dichterbij en aanschouwt enorme rijkdommen die door niemand bewaakt worden. En niet is er ook maar iets, wat daar niet aanwezig is.
Dan openbaart zich een zekere stem aan haar en zegt: "Waarom, meesteres, ben je verbaasd over zulke grote schatten? Die zijn allemaal voor jou. Wij, wier stemgeluid je verneemt, zullen jou dienen."
Psyche voelt een goddelijke welwillendheid, maar toch kon zij niemand ontwaren, slechts woorden horen. Zij gaat aanliggen aan een tafel; de heerlijkste gerechten worden opgediend. Na de maaltijd kwam er iemand binnen en heeft, onzichtbaar zijnde, gezongen. Na afloop van de geneugten valt Psyche in slaap. Dan bereikt midden in de nacht een geluid haar oren en reeds was daar een onbekende echtgenoot en had hij Psyche tot zijn echtgenote gemaakt, maar voor het aanbreken van de dag was hij snel verdwenen.
Toch kan Psyche na enige dagen de eenzaamheid niet meer verdragen: "Ik bemin hem, wie hij ook is; ik heb hem lief zoals mijn eigen ziel, maar hele dagen smacht ik naar hem die afwezig is, en niet heb ik ooit het gezicht van mijn man gezien en niet ken ik zijn familie." Zij brengt de hele dag huilend door; uiteindelijk maakt ze voor zichzelf een lamp gevuld met olie klaar en verbergt hem achter het bed. Reeds brak de nacht aan en was haar man gearriveerd en in een diepe slaap verzonken. Dan verzamelt Psyche, anders zwak van lichaam en geest, al haar moed en verdrijft met de tevoorschijn gehaalde lamp de duisternis en onthult het geheim.
Zij ziet Cupido zelf, de allercharmantste god, op zeer lieflijke wijze slapend. Door een zodanige aanblik verschrikt herpakt Psyche zich, terwijl ze herhaalde malen met bewondering naar de schoonheid van het goddelijk gelaat staart. Zij ziet zijn gouden hoofdhaar en langs zijn fonkelende schouders glinsterende vleugels. Dichtbij de god liggen zijn boog en pijlen, de zoete wapens van de machtige god. Terwijl zij de uitrusting van haar man bewondert, haalt ze één pijl uit de koker en verwondt het uiteinde van haar hand met een nogal forse haal. Er vloeit een weinig bloed en zo raakt een onwetende Psyche vanzelf in de ban van liefde voor Amor. Terwijl zij echter meer en meer brandt van verlangen naar Cupido, valt door een allerongelukkigst toeval iets van de gloeiendhete olie bovenop de rechterschouder van de god. Uit zijn slaap gewekt is de god opgestaan en zwijgend is hij uit de ogen en handen van zijn zeer ongelukkige echtgenote weggevlogen.
Op zoek naar Cupido ging Psyche de hele wereld rond. Maar hij, pijn lijdend door de door olie veroorzaakte wond, lag in het huis van zijn moeder te steunen, totdat hij, genezen zijnde, naar Jupiter toeging om diens hulp in te roepen. Deze beveelt Mercurius alle goden ter vergadering bijeen te roepen. Direct nadat het hemelse verblijf vol is, spreekt Jupiter als volgt: "Aanwezige goden en godinnen, jullie kennen allen deze jongeling. Nu heeft hij een vrouw uitgekozen. Laat hij haar houden, haar bezitten! Laat hij altijd, wanneer hij Psyche omarmt, van haar liefde genieten." En tegen Venus zei hij: "Dochter, laat jij niet inzitten over dat huwelijk met een sterfelijke vrouw."
Terstond beveelt hij dat Psyche door Mercurius naar de hemel geleid wordt. Dan zegt hij, nadat een drinkbeker met nectar is uitgereikt, met de goden als getuigen: "Drink, Psyche, wees onsterfelijk en Cupido zal nooit meer van jouw zijde wijken, want dit zal voor jullie een eeuwigdurend huwelijk zijn."

NB : In de Latijnse tekst van het oefenboek staat: Virgo ista teneatur amore hominis infimi pessimique ita, ut per totum orbem non inveniat miseriae suae parem.
Ik vind het zeer goed te verdedigen om op grond van deze Latijnse zin alleen gebruik te maken van een genitivus subiectivus, dus: ' Laat die maagd zo in beslag genomen worden door de verliefdheid VAN de laagste en meest verwerpelijke man, dat zij op de hele wereld geen gelijke in haar ellende vindt.' Met andere woorden: laat die maagd, om haar te straffen, lastig gevallen worden door de liefdesverklaringen van de grootste rotzak die er bestaat. En het gaat dan dus om HAAR ellende, niet om die van de man.
Echter: in de literatuur en op internet vond ik dat in het originele verhaal Venus, om Psyche te straffen, van haar zoon Amor/Cupido eist, dat hij haar hopeloos verliefd laat worden op de grootste maatschappelijke mislukking die hij kan vinden. Blijkbaar is er sprake van een genitivus obiectivus en moet de man meer opgevat worden als een afgezakte, maatschappelijke nul die er niet uit ziet, dan als een schurk. En dan wordt het dus iets als 'Laat die maagd in beslag genomen worden door liefde VOOR een zo onbeduidende en erbarmelijke man, dat HIJ in de hele wereld niet zijn gelijke in ellende vindt'.

Quid rides? Mutato nomine de te fabula narratur. Waarom lach je? Met verandering van naam gaat dit verhaal over jou. (Horatius Sat. 1.1.69 v.)