Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Fabulae

Hoofdstuk 27, oefening 169: De dood van Patroclus is de straf voor Achilles

“Niemand weerstaat ons meer, vrienden! Laten we nu de gehate stad zelf innemen en verwoesten!” Zodra als Patroclus dit had uitgeroepen, was hij zelf met gestrekte wapens de stadswal genaderd.
Maar welke kracht weerhoudt hem? Welke onzichtbare hand drijft hem terug? Opnieuw probeert hij de muur te beklimmen, opnieuw wordt zijn schild door een of andere hand getroffen. Niet toch geeft hij op: weer doet hij een aanval op de stadswal, maar voor de derde keer werpt dezelfde kracht hem neer. Toen hij voor de vierde keer hetzelfde probeerde te doen, joeg een enorm stemgeluid hem vrees aan: “Noch door jouw speer, noch door die van Achilles zal Troje ingenomen worden: treed terug!”
Apollo had de overmoedige man weerhouden! Patroclus kende diens stem zeer goed. Terstond week hij terug van de plek en vermeed verder de muur. Maar Apollo spoorde Hector aan, die zich een korte tijd van strijd had onthouden, om terug te keren en Patroclus aan te vallen. Zodra Hector genaderd was, doodde Patroclus diens wagenmenner met een enorme steen. Maar toen hij Hector zelf aanviel, trof Apollo plotseling met een forse slag van zijn hand de schouders van de jongeman. Patroclus beefde en reeds had Hector hem een lelijke wond toegebracht. Maar voor zijn overlijden voorspelde Patroclus aan Hector zelf: “Ook jouw dood is zeer nabij: zelf zal je spoedig vallen door de speer van Achilles.”
Zodra Patroclus de geest had gegeven, beroofde Hector hem van zijn wapenrusting, de wapenrusting die Achilles had gedragen en bezorgd aan zijn vriend had toevertrouwd. Hoewel Hector de wapenrusting roofde, kon hij toch het lichaam zelf van de dode niet behouden. Zeer bitter werd er door meerdere Grieken gestreden om het lichaam veilig te stellen. Onder hen vielen vooral Menelaus en Ajax de Oudere, zoon van Telamon, op.
Terwijl er om het lichaam van Patroclus hevig gestreden werd, snelde Antilochus, zoon van Nestor, als boodschapper naar Achilles, om hem de zeer ellendige dood van zijn vriend te berichten. En die was reeds ongerust, want hij hoorde het strijdgewoel opnieuw het legerkamp naderen. “Zeker bedreigt een of ander onheil ons! Ik had hem gewaarschuwd niet het kamp te verlaten en niet met Hector te vechten.” Wat Achilles reeds verwacht had, heeft Antilochus bericht. Achilles havende zijn gezicht en haren uit rouwbeklag en hield niet op met wenen.
Terwijl hij huilt, hoort zijn moeder zijn gejammer. Opnieuw rijst zij op uit zee en gaat bij haar zoon zitten: “Waarom huil je, mijn jongen? Wat scheelt je? Wat je gevraagd had, heeft Jupiter jou niet geweigerd: de Trojanen hebben de Grieken verjaagd!”
Haar zoon antwoordde: “Zeker, wat ik gewenst had, heeft Jupiter niet geweigerd, maar de Trojanen hebben onder de Grieken ook Patroclus gedood. Door de krankzinnige ruzie heb ik zelf mijn allerongelukkigste vriend de dood bezorgd. Maar nu zal ik de strijd opnieuw aangaan en ik zal niet rusten, voordat ik met het bloed van Hector zelf de dood van mijn vriend gewroken zal hebben."

Qui spernit consilium, spernit auxilium. Wie raad versmaadt, versmaadt hulp / Wie raad in de wind slaat, slaat hulp af