Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2018: Homerus

ODYSSEE VIII, 321 - 343 DE PHAEAKEN

Zo sprak hij, en de goden verzamelden zich bij het huis met de gouden drempel;
Posidon kwam de aardscvhokker, (er) kwam de snellopende
Hermes, en de heerser de uit de verte treffende Apollo kwam.
Maar de vrouwelijke godinnen uit schaamte thuis ieder stuk voor stuk.
En zij bleven staan in het voorportaal de goden, de gevers van goede dingen;
een onbedaarlijk gelach dan steeg op onder de gelukzalige goden
toen ze keken naar de kunsten van de vindingrijke Hephaestus.
En iemand zei telkens zo terwijl hij keek naar een ander in zijn buurt:
" Slechte daden lonen/gedijen niet, de langzame haalt zeker de snell in,
zoals ook nu heeft Hephaestus, terwijl hij traag is Ares te pakken gekregen,
hoewel die de snelste is van de goden die de Olympus bewonen
terwijl/hoewel hij mank is door zijn kunsten; daarom ook is hij straf verschuldigd voor zijn overspel."
Zo spraken zij dergelijke dingen tegen elkaar;
maar tot Hermes sprak de heerser Apollo de zoon van Zeus:
"Hermes, zoon van Zeus, schimmenbegeleider, schenker van goede dingen,
zou jij soms bekneld in stevige boeien willen
slapen in het bed naast de Aphrodite?"
En hem antwoordde vervolgens de schimmenbegeleider de Argusdoder:
"Och als dat nu eens mocht gebeuren, heerser uit de verte treffende Apollo.
Al mogen er driemaal zoveel onontkoombare boeien ons rondom vasthouden,
en mogen jullie goden en alle godinnen toekijken,
maar moge ik slapen naast de gouden Aphrodite."
Zo sprak hij, en gelach steeg op onder de onsterfelijke goden.