Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2018: Homerus

ODYSSEE VI, 127 - 147 NAUSIKAÄ

Nadat hij zo geproken had dook hij op uit de bosjes de stralende Odysseus,
en brak hij uit het dichte struikgewas met zijn sterke hand een tak
met bladeren, opdat die rond zijn huid de schaamdelen van de man zou bedekken.
En hij begaf zich op weg zoals een in de bergen opgegroeide leeuw, vertrouwend op zijn kracht,
die gaat verregend en verwaaid, en de beide ogen in zijn kop
gloeien; en hij stort zich op de runderen of de schapen
of (gaat) de in het wild levende herten achterna; en zijn maag beveelt hem
zelfs om naar de stevige stal te gaan om een aanval te doen op het kleinvee;
zo stond Odysseus op het punt zich tussen de meisjes met de mooie vlechten
te begeven, hoewel hij naakt was; want (de) nood had hem bereikt.
En vreselijk, toegetakeld door het zeewater, verscheen hij voor hen,
en zij vluchtten uiteen naar verschillende kanten de uitstekende kusten/landtongen op;
maar alleen de dochter van Alkinoüs bleef (staan), want (bij) haar had Athene
moed in het hart gelegd en de vrees uit haar ledematen weggenomen
En zij bleef tegenover hem staan zich beheersend; en hij, Odysseus, overwoog,
of hij het meisje met het mooie gelaat zou smeken na haar bij de knieën gepakt te hebben,
of haar gewoon(weg) op een afstand(je) met vriendelijke woorden
zou smeken, in de hoop dat zij (hem) de stad zou tonen en kleren zou geven.
Terwijl hij zo dan overwoog scheen het hem het beste/beter te zijn,
(haar) te smeken met vriendelijke woorden op een afstand(je),
opdat het meisje niet op hem boos zou worden in haar hart wanneer hij haar knieën pakte.