Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2012: Livius

Alle teksten van de examenstof van dit jaar

VERTALINGEN H1

a. Is al dat werk wel de moeite waard? (1-3)

1 Of ik een werk dat de moeite loont op het punt sta/zal tot stand brengen, als ik vanaf het eerste begin van de stad de geschiedenis van het Romeinse volk zal hebben beschreven/beschrijven, noch weet ik (dat) voldoende (zeker), noch zou ik het, als ik het (wel) zou weten, durven zeggen, omdat ik zie dat het onderwerp zowel oud is als algemeen bekend, omdat steeds weer nieuwe ge¬schiedschrijvers menen dat zij ofwel bij de gebeurtenissen 5 iets betrouwbaarders zullen aanbieden, ofwel door hun stijl hun primitieve voorgangers zullen overtreffen. Hoe het ook maar zal zijn, toch zal het een genoegen zijn dat ik eveneens aan de geschiedschrijving van het voornaamste volk op aarde naar vermogen heb bijgedragen; en als/stel dat bij een zo grote menigte/hoeveelheid (van) geschiedschrijvers mijn roem in de duisternis zou blijven, zou ik mij kunnen troosten met de be¬roemdheid/voornaamheid en grootheid van hen die 10 mijn naam in de schaduw zullen stellen.

b. Willen de lezers niet liever moderne geschiedenis? (4-6)

1 Bovendien is het onderwerp/de geschiedenis van Rome én/zowel (van) een onmetelijk werk, omdat het/zij meer dan zevenhonderd jaar teruggaat en het/Rome, vertrokken/begonnen bij een gering/bescheiden begin, tot zo’n punt is ge¬groeid, dat het al gebukt gaat onder zijn eigen omvang; én/als ook twijfel ik er niet aan dat voor de meesten van de lezers de eerste oorsprong(en) 5 en dat wat onmiddellijk volgt op de oor¬sprong(en) minder genoegen zullen verschaffen, omdat zij zich haasten naar deze moderne tijd, waarin de krachten van het allang oppermachtige volk zich zelf vernietigen: ík daarentegen zal ook naar deze beloning van mijn inspanning streven, dat ik mij afwend van de aanblik van de wantoestanden die mijn generatie gedurende zoveel jaren heeft gezien, zolang tenminste als ik met mijn hele 10 gedachte/met hart en ziel terugkeer naar die vroege geschiedenis, vrij van iedere zorg die de geest van een schrijver weliswaar niet van de waarheid/objectiviteit zou kunnen afbrengen, maar toch zou kunnen verontrusten.
De verhalen die vóór de stichting of liever vóór het plan tot de stichting van de stad worden overgeleverd, meer passend bij/verfraaid met de verzonnen verhalen van dichters dan bij waarheidsgetrouwe 15 ge¬schiedwerken/op basis van waarheidsge-trouwe geschiedwerken, deze ben ik van plan noch te be¬vestigen noch te weerleggen.

c. De geschiedenis leert de mensen hoe te ¬handelen (10-12)

1 Dit is vooral bij de kennis van de geschiedenis dat nuttige en vruchtbare, dat je/men de lessen van ieder voorbeeld/van elk soort, geplaatst op een schitterend gedenkteken, aanschouwt; daarvan moet je voor jezelf en je staat dat kiezen opdat je dat navolgt/om na te volgen, daarvan moet je het schandelijke in opzet, (of) het schandelijke in resultaat kiezen/begrijpen om te vermijden. Overigens óf de liefde voor de op mij genomen taak bedriegt mij óf geen enkele staat was ooit noch/en groter noch/en rechtschapener noch/en rijker aan goede voorbeelden, noch was er enige maatschappij waarin zo laat hebzucht en zucht naar weelde zijn binnengedrongen, noch waar zo’n groot en zo lang respect was voor eenvoud en spaarzaamheid. Want hoe minder bezittingen, des te minder be¬geerte er was: onlangs veroorzaakte rijkdom hebzucht en overvloedige ge¬noegens (veroorzaakten) het verlangen om in weelderigheid en liederlijkheid/wellust zichzelf en alles te gronde te richten.

Vertalingen H3

a. Rome neemt in omvang en bevolking toe (8.4-7)

1 Ondertussen groeide de stad door met de muren nu weer dit, dan weer dat gebied in te nemen, toen/omdat ze meer met het oog op de toekomstige bevolking dan in verhouding tot dat wat er toen aan mensen was, muren bouwden. Daarna, opdat niet/om te voorkomen dat de omvang van de stad leeg/zonder kracht was, om be-volking toe te voegen 5 met de oude/beproefde methode van stedenstichters, die terwijl ze bevolking/mensen, onaanzienlijk en van lage afkomst, bij zich bijeenbrachten beweerden dat voor hen zonen uit de aarde waren geboren, opent hij als asiel het terrein dat, nu omheind, als men (de ¬heuvel) afdaalt tussen de twee wouden zich bevindt aan de linkerkant. Daarheen vluchtte uit de naburige volkeren een menigte van allerlei slag, zonder onderscheid 10 of hij vrij of slaaf was, begerig naar een nieuw leven, en deze/dit vormde de kern van de kracht naar/voor de beoogde om¬vang (van de stad). Toen/Omdat Romulus nu/eindelijk zeer tevreden was over de kracht/krachtige menigte, stelt hij daarna een Raad in voor de(ze) krachtige menigte. Hij benoemt honderd sena¬toren, hetzij omdat dit aantal voldoende was, hetzij omdat er alleen/slechts honderd waren die als vaderen benoemd konden worden. Ze werden ‘vaderen’ genoemd zeker 15 vanwege hun eer(volle positie), en hun nakomelingen werden ‘patriciërs’ genoemd.


b. Een nijpend tekort aan vrouwen (9.1-5)

1 Rome was al zo sterk dat zij aan ieder van de naburige staten in oorlog gelijk/opgewassen was; maar door gebrek aan vrouwen zou de om¬vang/grootte één generatie duren, omdat zij noch thuis hoop op nageslacht noch huwelijksverdragen met hun buren hadden. Toen zond Romulus op advies 5 van de senatoren gezanten rond/langs de naburige volkeren, die om een bondgenootschap en huwelijksverdrag voor het nieuwe volk moesten vragen: dat ook steden, zoals andere ¬dingen, uit iets heel kleins geboren worden; dat daarna die steden die door hun eigen deugd en de goden worden geholpen (zin in passief omgezet), grote macht en een grote naam voor zichzelf tot stand brengen; dat ze goed wisten dat bij de oorsprong van Rome én goden aanwezig waren geweest/hadden geholpen én dat (aan Rome) geen 10 deugd zou ontbreken; daarom moesten ze er geen bezwaar tegen maken dat mensen met mensen/onderling hun bloed en geslacht mengen. Nergens werd het gezantschap vriendelijk (aan)¬gehoord: zozeer hadden ze zowel minachting als vreesden ze voor zichzelf en hun nakomelingen de zo grote in hun midden groeiende macht. En ze werden weggestuurd terwijl de meesten steeds vroegen of ze soms ook voor vrouwen een asyl 15 hadden geopend; want dat dit pas een gelijkwaardig huwelijk zou zijn.


 
c. Romulus organiseert een luisterrijk feest (9.6-9)

1 Met moeite verdroegen de Romeinse jonge mannen dit, en ongetwijfeld/zeker begon de zaak/toestand op geweld uit te lopen. Om hiervoor een geschikte tijd en plaats te geven, bereidt Romulus, terwijl hij zijn woede niet laat merken, volgens een vooropgezet plan plechtige spelen voor van/ter ere van Neptunus, als beschermer van de paarden; hij noemt (ze) Consualia. Ver¬volgens beveelt hij het schouwspel aan te kondigen 5 bij de buren/buurvolkeren; en ze organiseren (de spelen) met zo grote luister als ze toen wisten en konden, om de zaak/het gebeuren beroemd en aantrekkelijk te maken. Veel mensen kwamen samen, ook uit belangstelling om de nieuwe stad te zien, vooral (juist) de naaste buren, de bewoners van Caenina, Crustumeria, 10 (en) Antemnae; verder kwam de hele menigte/bevolking van de Sabijnen met hun kinderen en vrouwen. Toen ze, gastvrij in alle huizen uitgenodigd, de ligging en muren en de stad, vol met huizen, hadden gezien, ver¬bazen ze zich (erover) dat Rome in zo korte tijd was gegroeid.


 
d. De ‘maagdenroof’ (9.10-12)

1 Toen de tijd van het schouwspel gekomen was en de geest(en)/aandacht samen met de ogen daaraan overgeleverd/daarop gericht was, toen begon volgens afspraak (het) geweld, en op een ge¬geven teken rent de Romeinse jeugd alle kanten op om de meisjes te grijpen/roven. Een groot gedeelte werd toevallig gegrepen door hem in wiens handen ieder was gevallen: bepaalde/enkele (meisjes), uitblinkend door hun schoonheid, 5 die bestemd waren voor de voornaamsten van de senatoren, brachten mannen uit het volk, aan wie de taak gegeven was, naar hun huizen. Men zegt dat één (meisje) ver voor de anderen door haar uiterlijk en schoonheid op¬vallend, door de groep van een zekere Thalassius werd geroofd, en toen velen informeerden voor/naar wie eigenlijk zij haar brachten, werd herhaaldelijk luid geschreeuwd, opdat niemand (haar) geweld zou aandoen, dat ze naar Thalassius werd gebracht; 10 dat daarvandaan deze bruiloftskreet is ontstaan.



 
e. Romulus verontschuldigt zich tegenover de meisjes (9.13-16)

1 Nadat de voorstelling uit angst in verwarring was gebracht, vluchten de bedroefde ouders van de meisjes weg, terwijl ze hun beklag doen over het schenden van het verdrag van gastvrijheid en de god aanroepen, voor wiens plechtigheid en spelen ze, in strijd met het goddelijk recht en trouw bedrogen, gekomen waren. Ook de ge-roofde meisjes hebben of geen betere hoop over zichzelf/hun situatie of 5 minder verontwaardiging. Maar Romulus zelf/persoonlijk bezocht hen één voor één en leerde hen/zette hun uiteen dat dit was gedaan/gebeurd door de trots van hun vaders, die een huwelijksverdrag met hun buren hadden geweigerd; dat zij echter deel zouden hebben aan een (wettig) huwelijk, deel zouden hebben aan alle bezittingen en burgerrecht en, het dierbaarste dat er is voor de menselijke soort, kinderen; ze moesten slechts hun (gevoelens van) woede matigen en aan de mannen, aan wie het lot 10 hun lichamen had gegeven, hun hart geven; dat dikwijls uit gekrenktheid later genegenheid was ontstaan en dat ze des te betere mannen/echtgenoten zouden hebben, omdat ieder voor zich zijn best zou doen om, wanneer hij voor zijn deel zijn plicht heeft vervuld, ook het gemis aan ouders en vaderland te doen vergeten. Daarbij kwamen de lieve woordjes van de mannen die als verontschuldiging aanvoerden dat het gedaan was uit verlangen en 15 liefde, smeekbeden die vooral voor het vrouwelijk gemoed doeltreffend zijn.




Vertalingen H5

a. Lucumo als enige erfgenaam (34.1-3)

1 Toen Ancus regeerde, verhuisde Lucumo, een energiek man en machtig door zijn rijkdom, naar Rome, vooral uit begeerte naar en hoop op een machtige positie, om welke/deze te verkrijgen in Tarquinii – want ook daar was hij afstammend van een buitenlands geslacht/van buitenlandse af¬komst – geen mogelijkheid was geweest. Hij was de zoon van de Corintiër Demaratus, 5 die, van¬wege een revolutie uit Corinthe verbannen, toen hij toevallig zich in Tarquinii had gevestigd, nadat hij daar getrouwd was, twee zonen voortbracht. Deze zonen hadden de namen/heetten Lucumo en Arruns. Lucumo bleef als erfgenaam van alle bezittingen voor zijn vader over: Arruns sterft eerder dan zijn vader, nadat een zwangere vrouw was achtergelaten/met achterlating van een zwangere vrouw. En de vader overleeft zijn zoon niet lang; 10 toen deze, niet wetend dat zijn schoondochter zwanger was, zonder zijn kleinzoon op te nemen bij het opmaken van zijn testament, ge¬storven was, werd aan de jongen, (die) na de dood van zijn grootvader geboren (was) zonder enig voor¬uitzicht op een aandeel in de bezittingen, naar/vanwege zijn armoede de naam Egerius gegeven.


 
b. Lucumo en Tanaquil verhuizen naar Rome (34.4-7)

1 Voor Lucumo daarentegen, de erfgenaam van alle bezittingen, toen/hoewel rijkdom reeds (aan hem) trots gaf/veroorzaakte, vergrootte zijn trots het feit dat hij met Tanaquil was getrouwd, van zeer voorname afkomst en (een vrouw) die niet makkelijk verdroeg dat die (maatschappelijke) positie waar zij was inge¬trouwd, lager was dan die waarin zij was geboren. Toen/omdat de Etrusken 5 Lucumo verachtten die/omdat hij af¬stamde van een buitenlandse ¬balling, kon zij de vernedering niet verdragen, en terwijl zij de aangeboren liefde jegens haar vaderland vergat als zij haar man maar geëerd zag, nam zij het besluit uit Tarquinii te verhuizen. Rome scheen (haar) voor dit doel het meest geschikt: dat bij een nieuw volk, waar alle adel snelopkomend en gebaseerd op deugd/verdiensten is, plaats zou zijn voor een 10 moedige en flinke man; dat de Sabijn Tatius had geregeerd, dat Numa naar/voor de heerschappij was opgeroepen uit Cures, dat ook Ancus geboren was uit een Sabijnse moeder en van hoge afkomst/adel was met alleen het portretmasker van Numa. Makkelijk overtuigt zij haar man, begerig als hij was naar ereambten en voor wie Tarquinii alleen het vaderland van zijn moeder was. Nadat zij dus hun bezittingen hadden opgepakt, emigreerden zij naar Rome.


 
c. Lucumo krijgt een voorteken (34.8-10)

1 Men was/ze waren juist/net bij de Janiculum gekomen. Daar neemt voor/van hem, terwijl hij met zijn vrouw op een huifkar zit, een adelaar met gespreide vleugels langzaam naar beneden glijdend zijn muts weg, en boven de kar met/onder luid gekrijs/geklapwiek rondfladderend zet hij hem weer, alsof (hij) van godswege voor die dienst gestuurd (was), bekwaam terug op zijn hoofd; vervolgens 5 ging hij hoog in de lucht weg. Men zegt dat Tanaquil dit voorteken verheugd heeft aanvaard, een vrouw ervaren, zoals de Etrusken over het algemeen, in hemelse wondertekens. Ze beval haar man, terwijl ze hem omarmde, op hoge waardigheid en hoge status te hopen; dat die/zo’n vogel in die streek van de hemel en als bode van die god was gekomen; dat hij met betrekking tot de hoogste top van een mens een teken had ge¬geven; dat hij een sieraad dat met mensen- 10 hand op een hoofd was geplaatst, had weggenomen om het van godswege aan hetzelfde hoofd terug te geven. Deze verwachtingen en gedachten met zich mee dragend gingen ze de stad binnen en na daar een woning te hebben aangeschaft, noemden ze zich Lucius Tarquinius Priscus.


 
a. Tarquinius wordt adviseur van de koning (34.11-35.2)

1 Voor/bij de Romeinen deden het feit dat hij een nieuweling was en zijn rijkdom hem opvallen; ook zelf hielp hij het lot een handje door met vriendelijke woorden, met zijn hartelijkheid om uit te nodigen en met zijn weldaden wie hij maar kon voor zich te winnen, totdat zijn reputatie ook tot in het koninklijk paleis doordrong. Hij had deze bekendheid 5 in korte tijd, door bij de koning gul en handig plichten te vervullen, opgevoerd tot de rechten die een innige vriendschap geeft, zodat hij zowel bij publieke als privéberaadslagen in oorlogs- en vredestijd aanwezig was en, in alle om¬standigheden betrouwbaar gebleken, tenslotte per testament ook tot voogd voor/van de kinderen van de koning werd aangewezen. 10 Ancus regeerde 25 jaar, aan ieder van de vorige koningen gelijkwaardig, zowel in de vaardigheden als roem van/in oorlog en vrede. De/Zijn zoons waren al bij de volwassen leeftijd/bijna volwassen. Des te meer drong Tarquinius erop aan dat zo snel mogelijk comitia werden gehouden om een koning te kiezen. Toen deze waren aangekondigd stuurde hij tegen dat tijdstip de jongens weg om te jagen.

b. Tarquinius wordt koning (35.2-6)

1 En hij wordt gezegd/men zegt dat hij als eerste én propaganda makend heeft gedongen naar het koningschap én een redevoering heeft gehouden (die) opgesteld (was) om de geest/gunst van het volk te winnen: dat hij niet naar iets nieuws dong, die immers niet als eerste vreemdeling, een zaak waarover iemand verontwaardigd zou kunnen zijn of zich over zou kunnen verwonderen, maar als derde 5 buitenlander in Rome naar het koningschap streefde; dat ook Tatius niet alleen vanuit (een positie) als vreemdeling, maar ook (vanuit een positie) als vijand koning was ge-worden, dat ook Numa onbekend met de stad, zonder ernaar te dingen, tot het koningschap nog wel was opgeroepen; dat hij, sinds hij eigen heer en meester was, naar Rome met vrouw en al zijn bezittingen was verhuisd; dat hij een groter deel van dat leven waarin mensen publieke 10 taken/functies verrichten, in Rome dan in zijn oude vaderland had geleefd; dat hij in vredes- en oorlogstijd onder een niet te versmaden leermeester, koning Ancus zelf, het Romeinse recht, de Romeinse godsdienstige gebruiken had geleerd; dat hij in gehoorzaamheid en toewijding jegens de koning met allen, (maar) in edelmoedigheid jegens anderen met de koning zelf had ge¬wedijverd. Toen hij deze zeer juiste dingen vermeldde 15 beval het Romeinse volk hem met ge¬weldige eenstemmigheid koning te zijn. Welnu de in andere opzichten uitstekende man achtervolgde de zucht naar populariteit die hij had gehad bij het werven, ook toen hij koning was; niet minder erop bedacht zijn positie als koning te versterken dan de staat te vergroten koos hij honderd (man) tot senatoren die daarna ‘(sena¬toren) uit de lagere families’ werden genoemd, een partij zonder 20 twijfel (op hand) van de koning, door wiens weldaad zij in het senaatsgebouw waren ge¬komen.




 
Vertalingen H6
a. Een ongewoon voorteken (39.1-3)

1 In die tijd vond er in het koninklijk paleis een wonder(teken) plaats, wonderbaarlijk in zijn verschijning en gevolgen. Men zegt dat voor/van een slapende jongen, die Servius Tullius heette, het hoofd begon te branden in de aanblik van velen; dat, toen er dus vervolgens zeer veel/luid ge¬schreeuw ontstond bij zo’n buitengewoon won¬derbaarlijke gebeurtenis, het koningspaar werd op¬geroepen, en dat, toen een zekere/iemand 5 van het personeel water bracht om te blussen, hij door de koningin werd tegengehouden, en dat zij, toen het tumult was bedaard, verbood dat de jongen werd bewogen, totdat hij uit zichzelf ¬wakker was geworden; dat weldra met de slaap ook de vlam/het vuur wegging. Toen, nadat Tanaquil haar man terzijde had genomen, zei ze: ‘Zie jij deze jongen, die wij grootbrengen met zo’n nederige/eenvoudige ontwikkeling 10 Let wel: hij zal eens de redding zijn voor ons wanneer we in moeilijke omstandigheden verkeren, en de bescherming voor een geteisterd koningshuis; laten we daarom hem die voor geweldige eer zal zorgen voor de staat en ons huis met al onze tederheid opvoeden’.


 
b. De adellijke afkomst van Servius Tullius (39.4-6)

1 (Ze zeggen) dat de jongen vervolgens begon(nen is) beschouwd te worden/men de jongen begon te beschouwen als een eigen kind en werd onderricht in de vaardigheden waarmee talenten worden opgewekt/aangezet tot de geestelijke ontwikkeling van/passend bij een hoge positie.
Makkelijk gebeurde wat de goden ter harte ging/Het gebeurde makkelijk om¬dat…: hij ontwikkelde zich tot een jongeman van/met een werkelijk koninklijk karakter en, toen een schoonzoon werd gezocht door Tarquinius, kon niemand van de Romeinse 5 jeugd in enige vaardigheid/op¬zicht (met hem) worden vergeleken, en de koning verloofde zijn dochter met hem. Deze zo grote eer, die hem om welke reden dan ook be¬wezen is, verhindert te geloven dat hij de zoon is van een slavin en dat hij zelf klein/als kleine ¬jongen, slaaf is geweest. Ik ben meer de mening toegedaan van hen die ¬zeggen dat, toen Corniculum werd ingenomen, de zwangere echtgenote van Servius Tullius, die de leider in die stad was geweest, nadat haar man 10 was gedood, toen/omdat zij tussen de overige gevangenen was herkend, vanwege haar buitengewone adel door de Romeinse koningin van ¬slavernij gevrijwaard, in Rome in het huis van Priscus Tarquinius een kind heeft gebaard; dat vervolgens door de zo grote weldaad én tussen de vrouwen een intieme vriendschap is gegroeid én de jongen, in de familie van jongsaf aan opgegroeid als hij was, geliefd en 15 geëerd werd; dat het lot/ongeluk van zijn moeder, omdat zij, nadat haar vaderstad was ingenomen, in handen van de vijand was (terecht) gekomen, ervoor heeft gezorgd dat hij als zoon van een ¬slavin werd beschouwd.
 
c. De zonen van Ancus zijn boos (40.1-3)

1 In bijna het 38-ste jaar sinds Tarquinius begonnen was te regeren, was Servius Tullius niet alleen bij de koning, maar ook bij de senatoren en het volk met verreweg de grootste eer/het allermeest geëerd. Toén, hoewel de twee zonen van Ancus het vroeger altijd als de grootste onrechtvaardigheid hadden beschouwd dat zij 5 door bedrog van hun voogd van de vaderlijke heerschappij/troon waren verdreven, (maar) dat in Rome een vreemdeling regeerde niet alleen niet van naburige, maar zelfs niet van Itálische afkomst, – toén groeide sterker voor hen/hun verontwaardiging bij het idee dat de heerschappij zelfs niet van Tarquinius naar hen zou teruggaan, maar halsoverkop vandaar/vervolgens verder in de handen van slaven zou vallen, zodat in dezelfde stad na bijna honderd jaar 10 nadat Romulus, zoon van een god (en) zelf een god, de heerschappij be¬hield/had zolang als hij op aarde was, deze een slaaf (en), zoon van een slavin, zou bezitten/bezat. Dat dit niet alleen een gemeenschappelijke schande voor de Romeinse naam/volk, maar vooral voor hun huis/familie zou zijn, als, terwijl de mannelijke nakomelingen van koning Ancus nog in leven waren, de heerschappij te Rome niet alleen voor vreemdelingen, maar zelfs ook voor slaven openstond/toegankelijk was. Ze besluiten dus deze 15 schande met het zwaard te verhinderen.



 
a. Aanslag op koning Tarquinius (40.4-7)

1 Maar én de verbittering over het onrecht hitste hen meer op tegen Tarquinius zelf dan tegen Servius, én omdat de koning een genadelozer wreker van de moord zou zijn, als hij in leven bleef, dan een privéburger; bovendien, wanneer Servius was gedood, leek hij welke andere schoonzoon hij ook zou gekozen hebben, dezelfde/deze 5 tot erfgenaam van de heerschappij te zullen maken; om deze redenen werd een aanslag op de koning zelf voorbereid. Twee felsten/meest woesten van de herders die waren uitgekozen voor de misdaad, ieder van beiden gewapend met de landbouwwerktuigen waaraan ze gewend waren, richten, zoveel mogelijk onrust veroor¬zakend in het voorportaal van het paleis onder het mom van een ruzie, de aandacht van alle koninklijke dienaren op zich; 10 vervolgens gaan ze, toen beiden om de koning riepen en hun ge¬schreeuw diep in het paleis was doorgedrongen, (na) (op)geroepen (te zijn), naar de koning. Eerst spraken beiden luid en om strijd overschreeuwde de een de ander; tot de orde geroepen door de lictor en bevolen om de beurt te spreken houden ze eindelijk op (elkaar) in de rede te vallen; volgens afspraak begint de één de zaak te vertellen. Toen 15 de koning oplettend/aandachtig zich geheel naar hem afkeerde/omdraaide, liet de ander zijn opgeheven bijl op zijn hoofd vallen/hief zijn bijl op en…, en na het wapen in de wond te hebben achtergelaten, stormen beiden naar buiten.


 
b. Tanaquil neemt de regie in handen (41.1-3)

1 Toen de omstanders de stervende Tarquinius hadden opgevangen, pakken de lictoren die vluchtende (herders) (vast). Vervolgens (was er) geschreeuw en een oploop van het volk dat zich verbaasd afvroeg wat er aan de hand was. Tanaquil beveelt onder het tumult het paleis te sluiten, (en) verwijderde de ooggetuigen. Niet alleen 5 brengt ze ijverig de dingen in gereedheid die nodig zijn om een wond te verzorgen alsof er hoop aanwezig was, maar ook treft ze andere voorzorgsmaatregelen als hoop zou ontbreken. Nadat ze haastig Servius had ontboden, toen ze haar bijna levenloze man had getoond, smeekt ze (hem), zijn rechterhand vasthoudend, om de dood van zijn schoonvader niet ongewroken te laten, om niet toe te laten dat zijn schoonmoeder als mikpunt van spot dient van hun vijanden. ‘Van jou is’, zegt ze, 10 ‘het koningschap, Servius, als je een man bent, niet van hen die met andermans handen een zeer slechte misdaad hebben gepleegd. Verhef je en volg de goden als leiders die hebben voorspeld dat dit hoofd beroemd zal zijn, door er eens een goddelijk vuur over heen uit te storten. Laat die goddelijke/hemelse vlam jou aansporen; word nu werkelijk wakker. Ook wij hebben als vreemdelingen geregeerd; bedenk wat voor iemand je bent, niet 15 (van)waar je bent geboren. Als jouw plannen door de onverwachte gebeurtenis zijn verlamd, volg dan mijn plannen.’

 
c. Servius Tullius wordt koning (41.4-7)

1 Toen het geschreeuw en de aandrang van de menigte nauwelijks in bedwang kon worden gehouden, spreekt Tanaquil vanaf een hoger deel van het paleis vanuit/door de vensters die gericht zijn op de Via Nova – want de koning woonde bij de tempel van Jupiter Stator – het volk toe. Zij beveelt/verzoekt (het volk) vol goede moed te zijn; dat de koning verdoofd was 5 door de plotselinge houw; dat het ijzer niet diep in het lichaam was afgedaald/doorgedrongen; dat hij al tot bewustzijn was gekomen; dat de wond werd onderzocht nadat het bloed was afgeveegd; dat alles hoopvol is; dat zij erop vertrouwt dat zij eerstdaags hemzelf zullen zien; dat hij het volk beveelt ondertussen Servius Tullius te gehoor¬zamen; dat deze recht zal spreken en de andere taken van de koning op zich zal nemen. Servius komt met 10 koningsmantel en lictoren naar ¬buiten en, zittend/gezeten op de koninklijke zetel besluit hij sommige zaken en wendt hij voor dat/doet hij alsof hij over andere zaken de koning zal raadplegen. Dus hield hij gedurende vrij veel dagen, toen Tarquinius al was gestorven, zijn dood verborgen en verstevigde hij onder het mom van andermans functie waar te nemen, zijn eigen macht/positie; toen pas werd het openbaar, omdat rouwbeklag in het paleis was ontstaan/opklonk. Servius, 15 beveiligd door een sterke lijfwacht, heerste als eerste zonder permissie van het volk, met de instemming van de senatoren. De kinderen/zonen van Ancus waren toen al, nadat hun handlangers van de misdaad waren opgepakt, zodra bericht werd dat de koning leefde en de macht van Servius zo groot was, in ballingschap gegaan naar Suessa Pometia.


Vertalingen H7

a. De jonge Tarquinius ageert tegen Servius Tullius (46.1-3)

1 Hoewel Servius al door verjaring in feite het koningschap had bemachtigd, toch, omdat hij hoorde dat door de jonge(man) Tarquinius soms woorden werden geuit/uitspraken werden rondgestrooid dat hij zonder bevel van het volk koning was, na eerst de gunstige gezindheid van het volk te hebben gewonnen door het land, dat van de vijanden was (af)gepakt/op de vijanden was ver¬overd, per man te verdelen, durfde hij het (aan) 5 aan het volk de vraag voor te leggen of ze wilden en bevalen dat hij koning was; hij werd met zo’n grote eenstemmigheid tot koning uitgeroepen als niemand anders tevoren. Ook deze zaak verminderde voor Tarquinius niet de hoop om het koningschap na te jagen; integendeel, hij meende dat hem de gelegenheid werd gegeven om des te heftiger Servius bij de senatoren verdacht te maken, omdat hij had gemerkt dat het land/de landtoewijzing van het volk tegen de wil van de senatoren werd behandeld, 10 en (zo) in aanzien toe te nemen in het senaatsgebouw, én zelf een jonge¬man van/met een ambitieuze geest én terwijl thuis zijn vrouw Tullia zijn rusteloze geest ophitste. Want ook het Romeinse koningshuis leverde een voorbeeld van een misdaad als in een tragedie, zodat door de afkeer van koningen de vrijheid vroeger kwam en het koningschap dat door misdaad was verworven, het laatste was.


b. De twee Tullia’s (46.4-6)

1 Deze Lucius Tarquinius - het is (te) weinig duidelijk of hij zoon of kleinzoon van koning Priscus Tarquinius was; toch zou ik hem met de meeste geschiedschrijvers zoon willen noemen – had een broer Arruns Tarquinius gehad, een jongeman van/met een zacht karakter. Met deze twee waren, zoals eerder gezegd is, de twee Tullia’s, 5 dochters van de koning, getrouwd, ook zelf/eveneens zeer verschillend wat betreft/in karakter. Toevallig was het zo gebeurd/gelopen dat niet de twee onstuimige karakters in het huwelijk werden verbonden door/dankzij het geluk/gelukkig gesternte, denk ik, van het Romeinse volk, opdat des te langer de regering van Servius er was/duurde en de tradities/instellingen van de staat gegrondvest konden worden. Het benauwde de ambitieuze Tullia dat in haar man helemaal geen aanleg was noch tot eerzucht, noch tot 10 moed; geheel tot de andere Tarquinius (af)gekeerd bewonderde ze hem, noemde ze hem een echte man en geboren uit koninklijk bloed: ze minachtte haar zuster, om¬dat zij, nadat/terwijl zij een echte man had ge¬kregen, de moed miste die haar als vrouw paste.


 
c. Soortgenoten vinden elkaar (46.7-9)

1 Het overeenkomstige karakter brengt hen snel samen, zoals bijna altijd gebeurt: kwaad past het meest bij kwaad; maar het initiatief om alles in verwarring te brengen begon bij de vrouw. Zij, ge¬wend (geraakt) aan de geheime gesprekken met de man van een ander, spaarde geen beschimpingen van/met woorden/beschimpende woorden over haar man tegen zijn broer, over haar zuster tegen haar (nl. van de zuster) man;
en 5 zij verzekerde met nadruk dat het beter was dat zij ongetrouwd en hij vrijgezel zou zijn geweest, dan met een minderwaardige (partner) verenigd te worden om te moeten wegkwijnen door andermans slapheid; als de goden haar zo’n man hadden gegeven, die zij waardig was, dat zij (dan) thuis eerstdaags de heerschappij zou hebben gezien, die zij bij haar vader ziet.
Snel vervult zij de jongeman met haar vermetelheid; 10 toen Lucius Tarquinius en de jongste Tullia door bijna onmiddellijk op elkaar volgende sterfgevallen hun huizen vrij voor een nieuw huwelijk hadden gemaakt, worden zij door een huwelijk verbonden, terwijl Servius meer het niet verhindert dan ermee instemt.


 
a. De verwijten van Tullia (47.1-5)

1 Toen eerst recht begon de ouderdom van Tullius van dag tot dag meer bedreigd te zijn, begon zijn heerschappij meer bedreigd te zijn; want de vrouw keek van (de ene) misdaad naar een andere misdaad. Noch ’s nachts noch overdag duldde zij dat/liet zij haar man tot rust komen/met rust, opdat de toenmalige moorden niet voor niets waren: dat het haar niet ontbroken had aan een man met wie 5 zij gezegd werd/men zei dat ze getrouwd was, noch met wie zij passief slaaf was; het ontbrak (haar) aan een man die zich heerschappij waardig achtte, die zich herinnerde dat hij de zoon is van Priscus Tarquinius, die liever heerschappij wilde hebben dan erop hopen. ‘Als jij diegene bent met wie ik meen getrouwd te zijn, noem ik jou én mijn man én koning; zoniet, is de zaak er nu des te slechter op geworden omdat bij jou de misdaad verenigd is met slapheid. 10 Waarom onderneem je geen actie? Voor jou is het niet, zoals voor je vader, nodig vanuit Corinthe noch vanuit Tarquinii een koninkrijk in den vreemde tot stand te brengen: de goden van je huis en van je voorouders én het beeld van je vader én het koninklijk huis/paleis én in het huis/paleis de koningstroon én de naam Tarquinius kiezen je tot en noemen je koning. Of als er voor dit/hiervoor te weinig moed is, waarom misleid je de burgerij? 15 Waarom laat je toe dat je be¬schouwd wordt als prins? Verdwijn van hier naar Tarquinii en Corinthe; val terug naar je afkomst/oorsprong, meer lijkend op je broer dan op je vader.’


 
b. Tarquinius presenteert zich als koning (47.6-9)

1 Door met deze en andere woorden verwijten te maken, hitst ze de jongeman op, en zij kan zelf niet tot rust komen bij de gedachte dat, hoewel Tanaquil, een buitenlandse vrouw, zoveel door haar geestkracht had kunnen tot stand brengen dat zij twee opeenvolgende koningschappen, aan haar man en daarna aan haar schoonzoon had ge¬geven, zijzelf geboren uit een koninklijk zaad/ge¬slacht geen enkele beslissende invloed had in 5 het geven en ontnemen van koningschap. Door deze razernij van zijn vrouw aangespoord ging Tarquinius rond en zocht steun bij vooral de senatoren van lagere families; hij herinnerde (hen) aan de weldaad van zijn vader en vroeg hiervoor dank terug; de jongemannen won hij voor zich met geschenken; niet alleen door wat betreft zichzelf geweldige beloftes te doen, maar ook door beschuldigingen tegen de koning groeide hij op alle plaatsen/overal in aanzien. Tenslotte, toen het eindelijk 10 het (juiste) moment leek om actie te ondernemen, stormde hij, omstuwd door een stoet (van) gewapenden/gewapende mannen, het Forum op. Vervolgens, toen allen door angst van hun stuk waren gebracht, gezeten op de koninklijke zetel/troon vóór het senaatsgebouw, beval hij door (middel van) een heraut de senatoren naar het senaatsgebouw op te roepen naar koning Tarquinius. Zij kwamen onmiddellijk bij¬een, sommigen (die) al van te voren voor dit (waren) voorbereid, anderen uit angst dat niet gekomen zijn nadelig zou zijn, verbijsterd door de on¬gekende 15 en wonderlijke situatie en menend/in de mening verkerend dat het al met Servius gedaan was.


c. Tarquinius belastert Servius (47.10-12)

1 Daar begon Tarquinius met laster, beginnend bij de oorsprong van zijn geslacht: dat hij als slaaf en zoon van een slavin na de schandelijke dood van zijn (Tarquinius) vader, niet nadat hij een interregnum had ingesteld, zoals vroeger, niet nadat hij comitia had gehouden, niet met toestemming van het volk, niet met bekrachtiging van de senatoren door het geschenk van een vrouw 5 de heerschappij in bezit had genomen. Dat hij, zo geboren, zo tot koning benoemd, als begunstiger van het laagste soort (van) mensen, waaruit hij zelf was/voortkwam, uit haat jegens de hoge rang van een ander het land, weggerukt/gestolen van de voornaamsten, onder het uitschot had verdeeld; dat alle lasten die eens gemeenschappelijk waren, op de schouders waren terechtgekomen van de voornaamsten van de staat; dat hij een census had ingesteld, zodat 10 het vermogen duidelijk zichtbaar was om afgunst/haat op te wekken jegens de rijkeren en beschikbaar was om daaruit, wanneer hij maar wilde, te schenken aan de meest behoeftigen.

 
Vertalingen H9
c. Een nachtelijk bezoek (58.1-5)
1 Nadat een paar dagen waren verlopen, ging Sextus Tarquinius terwijl Collatinus onwetend was/zonder dat Collatinus het wist met één metgezel naar Collatia. Daar vriendelijk ontvangen door hen die onwetend/niet op de hoogte waren van zijn plan, toen hij na het diner naar het gastenverblijf was gebracht, ging hij brandend van liefde, nadat de omgeving voldoende ¬veilig scheen 5 en allen diep in slaap, met getrokken zwaard naar de slapende Lucretia en na met zijn linkerhand de borst van de vrouw te hebben (naar beneden) gedrukt, zei hij: ‘Zwijg, Lucretia; ik ben Sextus Tarquinius; er is een zwaard in mijn hand; je zult sterven, als je een kik zult hebben gegeven/zult geven.’ Toen de uit haar slaap op¬ge¬schrikte vrouw geen enkele hulp, (maar) een dreigende dood nabij zag, toen 10 bekende Tarquinius zijn liefde, smeekte, mengde dreigementen met smeek¬beden, beïnvloedde de geest van de vrouw op alle manieren. Toen hij zag dat ze standvastig was en zelfs niet door doodsangst van mening veranderde, voegt hij bij haar angst (nog) schande toe: hij zei dat hij naast haar lijk een vermoorde naakte slaaf zou leggen, opdat men zegt dat zij tijdens overspel met iemand van lage afkomst is gedood. Toen door dit schrikbeeld 15 zijn als het ware zegevierende wellust haar koppige kuisheid had overwonnen, en Tarquinius daarna, uitge¬laten over het veroveren van de eer van de vrouw, vertrokken was, stuurt Lucretia, bedroefd door de zo grote ellende/krenking eenzelfde bericht naar Rome naar haar vader als naar Ardea naar haar man, (op)dat zij ieder met één trouwe vriend ¬kwamen; dat ze zo moesten ¬handelen en zich moesten haasten; 20 dat iets afschuwelijks was gebeurd.

d. Lucretia stelt een voorbeeld (58.6-12)

1 Spurius Lucretius kwam met Publius Valerius, zoon van Volesus, Collatinus met Lucius Junius Brutus, met wie hij toevallig naar Rome terug¬kerend door de bode van zijn vrouw was ontmoet/aangetroffen. Zij treffen Lucretia bedroefd in de slaapkamer zitten(d). Door de komst van haar familieleden kwamen de tranen op 5 en ze zei tegen haar man die vroeg: ‘Gaat het wel goed met je?’ ‘Helemaal niet; wat is er immers voor goeds voor een vrouw, wanneer ze haar kuisheid/eer heeft verloren? Sporen van een vreemde/andere man, Collatinus, zijn in jouw bed; maar mijn lichaam is slechts geschonden, mijn geest is on¬schuldig; de dood zal getuige (hiervan) zijn. Maar geeft jullie rechterhand(en) en woord van trouw dat de echtbreker zijn (verdiende) straf zal krijgen. Het is Sextus Tarquinius die 10 als vijand in plaats van gast de vorige nacht, met geweld ge¬wapend, van hier vreugde heeft meegenomen die verderfelijk is voor mij en voor zichzelf, als jullie (tenminste) mannen zijn.’ Zij geven één voor één allen hun erewoord; zij troosten de intens verdrietige Lucretia door de schuld van haar die ertoe gedwongen was af te wentelen op de dader van het vergrijp: dat de geest zondigt, niet het lichaam, en daar waar een voornemen heeft ontbroken, schuld afwezig is/ontbreekt. ‘Júllie’, zei ze, ‘moeten (maar) zien, 15 wat hém toe¬komt: ík, hoewel ik mij van schuld vrijspreek, onttrek me niet aan de doodstraf; en hierna zal geen enkele onkuise vrouw leven/in leven blijven door het voorbeeld van Lucretia.’ Het mes, dat zij onder haar kleed had ver-borgen, dat stoot zij in haar hart en voorovervallend in (de richting van) haar wond viel zij stervend (neer). Haar man en vader schreeuwen het uit.


a. Brutus ontpopt zich als leider (59.1-5)
1 Toen dezen/zij door verdriet in beslag waren ge¬nomen, sprak Brutus, terwijl hij het uit de wond van Lucretia getrokken mes, terwijl het bloed droop/druipend van het bloed voor zich uit hield: ‘Bij dit bloed dat zeer kuis was vóór het onrecht van de prins, zweer ik en ik maak u, goden, tot getuigen dat ik Lucius Tarquinius Superbus met 5 zijn misdadige vrouw en zijn hele (na)geslacht van kindereen, met ijzer, vuur en met welk geweld ik vervolgens maar kan, zal vervolgen en niet zal toestaan dat zij noch iemand anders koning zijn in Rome.’ Daarna overhandigt hij het mes aan Collatinus, daarna aan Lucretius en Valerius die stom verbaasd zijn over het -wonderbaarlijke van de zaak, waarvandaan het nieuwe karakter/doen en laten in de borst van Brutus was gekomen. Zoals 10 opgedragen was, zweren ze/leggen ze de eed af; helemaal omge¬slagen van verdriet naar woede, volgen ze Brutus meteen al als leider, wanneer hij oproept om het koningschap te vernietigen. Het lichaam van Lucretia, uit het huis naar buiten ge¬dragen, brengen ze naar het Forum, en ze brengen mensen op de been door het wonderbaarlijke, zoals dat gebeurt, van de onverwachte zaak/ge¬beurtenis en door hun verontwaardiging. 15 Ze klagen ieder voor zich over de misdaad en geweld van de prins. Zowel het verdriet van de vader maakt indruk, als het feit dat Brutus tranen en nutteloze klachten bestraft en dat hij het initiatief neemt – iets wat mannen, wat Romeinen paste – om de wapens op te nemen tegen hen die vijandig¬heden hebben ondernomen. De allerdappersten van de jongelui zijn met wapens 20 vrijwillig aanwezig; ook de ¬overige jeugd volgt. Nadat daarna een garnizoen was achtergelaten in Collatia bij de poorten en be¬¬wakers waren aangesteld, opdat niemand die op¬stand aan de koninklijke familie zou berichten, zijn de overigen ge¬wapend, onder leiding van Brutus, naar Rome ver-trokken.


 
b. De toespraak van Brutus (59.6-10)

1 Zodra ze daar zijn gekomen, maakt/veroorzaakt de gewapende menigte waarlangs deze voortgaat, angst en oproer; anderzijds menen ze, zodra ze zien dat de voornaamsten van de staat voorgaan, dat wat het ook is, het niet zonder betekenis is. En niet maakt/veroorzaakt de zo gruwelijke zaak/ge¬beurtenis in Rome een mindere verontwaardiging dan 5 deze in Collatia had veroorzaakt; dus wordt er/rent men uit/van alle plaatsen van de stad naar het Forum. Zodra ze hier zijn gekomen, riep de heraut het volk naar de commandant van de ridders, een functie die Brutus toen toevallig bekleedde. Daar werd (door Brutus) een redevoering gehouden, helemaal niet strokend met die aard en dat karakter dat/die tot die dag was/waren voorgewend, over het geweld en de wellust van Sextus Tarquinius, 10 over de afschuwelijke verkrachting van Lucretia en haar meelijwekkende dood, over de kinderloosheid van Tricipitinus, voor wie de oorzaak van de dood (van zijn dochter) schandelijker en meelijwekkender was dan de dood van zijn dochter. De trots van de koning zelf werd eraan toegevoegd en de ellendes en zware inspanningen van het volk dat was ondergedompeld in geulen en riolen die moesten worden uitge¬graven; dat de Romeinse mannen, overwinnaars van alle volkeren rondom, 15 bouw¬vakkers en steenhouwers in plaats van soldaten geworden waren. De schandelijke dood van koning Servius Tullius werd vermeld en het feit dat de dochter met haar goddeloze wagen over het lichaam van haar vader was gereden, en de goden werden aangeroepen als wrekers van ouders/vaders.


c. Koning Tarquinius wordt verjaagd (59.11-13)

1 Na/door deze en andere gruwelijkere, geloof ik, misdaden te hebben vermeld, die zijn verontwaardiging van dat moment over de gebeurte¬nissen Brutus ingaf – helemaal niet makkelijk voor schrijvers om weer te geven – bracht hij het opgezweepte volk ertoe om de koning zijn gezag te ontnemen en te bevelen dat L. 5 Tarquinius met zijn vrouw en kinderen ballingen waren/in ballingschap moesten gaan. Zelf, nadat hij jonge manschappen, die zichzelf opgaven, had uitgezocht en bewapend, vertrok hij om (van)daar het leger tegen de koning op te zetten, naar Ardea naar het legerkamp: in de stad laat hij het gezag over aan Lucretius die al vroeger door de koning als stadsprefect was aangesteld. Temidden van dit tumult vlucht(te) Tullia weg uit het huis/paleis, 10 terwijl de mannen en vrouwen haar vervloekten, waarlangs ze maar voortging, en de wraak¬godinnen van haar ouders opriepen.



 
d. De eerste consuls worden benoemd (60.1-4)

1 Nadat de berichten van/over deze zaken/ge¬beurtenissen naar het legerkamp waren overbracht, toen/omdat de koning, verontrust door de onverwachte gebeurtenis, naar Rome ging om de opstanden te onderdrukken, nam Brutus een andere route – want hij had zijn (aan)komst ge¬merkt – om (hem) niet te ontmoeten; in ongeveer dezelfde tijd kwamen langs verschillende wegen Brutus naar Ardea en 5 Tarquinius naar Rome. Voor Tarquinius werden de poorten gesloten en ballingschap aangezegd: het legerkamp ontving de bevrijder van de stad verheugd, en daarvandaan werden de kinderen/zonen van de koning verjaagd. Twee volgden hun vader die in ballingschap naar Caere naar de Etrusken/in Etrurië ¬gingen. Sextus Tarquinius, die naar Gabii als het ware naar zijn eigen koninkrijk was vertrokken, werd door wrekers 10 van oude vetes, die hijzelf zichzelf op de hals had gehaald door moorden en roverijen, vermoord. Lucius Tarquinius Superbus regeerde 25 jaar. In Rome werd vanaf de stichting van de stad tot de bevrijding (van de stad) 244 jaar door koningen geregeerd. Vervolgens werden in de comitia centuriata op voordracht van de stads¬prefect in overeenstemming met 15 de verordeningen van Servius Tullius twee consuls gekozen,
L. Junius Brutus en L. Tarquinius Collatinus.

 
Vertalingen H12

a. Koning Porsenna trekt tegen Rome op (9.1-4)

1 Vervolgens werden Publius Valerius voor de tweede keer, (en) Titus Lucretius tot consuls ge¬maakt/gekozen. De Tarquinii waren al naar Lars Porsenna, koning van Clusium, gevlucht. Daar, door raad/adviezen en smeekbeden te mengen, smeekten ze nu eens dat hij niet toeliet dat zij, afstammend van Etrusken, van hetzelfde bloed en dezelfde naam, berooid 5 in ballingschap leefden, dan weer spoorden ze (hem) aan om niet de op¬komende gewoonte (om) koningen te verdrijven ongewroken te laten. Dat de vrijheid zelf voldoende aantrekkelijkheid had. Dat als koningen niet met evenveel kracht koninkrijken verdedigen, als waarmee staten haar (de vrijheid) nastreven, het hoogste gelijk gemaakt wordt aan het laagste; dat in de staten niets uitmuntends zal zijn, niets wat boven het overige/de rest uitblinkt; 10 dat het eind aanwezig is voor koninkrijken, de mooiste zaak/instelling tussen goden en mensen. Omdat Porsenna meende dat niet alleen een koning in Rome, maar ook een koning van het Etruskische volk iets eervols voor de Etrusken is, ging hij met een vijandig/dreigend leger naar Rome.


 
b. De senaat ontlast het volk (9.5-8)

1 Nooit een andere keer ervoor viel binnen/overviel zo grote angst de senaat; zo(zeer) sterk was toen Clusium en (zo) groot de naam van Porsenna. En zij vreesden niet alleen de vijanden, maar ook hun eigen burgers, namelijk dat het Romeinse volk, door vrees getroffen, nadat ze de koningen/koningshuis in de stad hadden teruggekregen, vrede zelfs in combinatie met 5 slavernij zou accepteren. Dus veel gunsten werden aan het volk in die tijd door de senaat gegeven/verleend. In de eerste plaats werd zorg gedragen voor de voedselvoorziening, en om graan te kopen werden sommigen naar de Volsci ge¬stuurd, anderen naar Cumae. Ook het monopolie om zout te verkopen, aangezien het voor hoge prijs werd verkocht, werd helemaal naar de staat overgebracht, nadat het aan particulieren was ontnomen; 10 het volk werd bevrijd van havengelden en belasting, zodat de rijken het bijeenbrachten die in staat waren om de last te dragen: dat de armen voldoende belasting betaalden, als ze kinderen grootbrachten. Dus deze mildheid van de sena¬toren in komende moeilijke omstandigheden tijdens het be¬leg en honger(snood) hield de staat/burgerij zo eens¬gezind, dat de hoogsten niet meer dan 15 de allerlaagsten de naam ‘koning’ verafschuwden, en niet één persoon was later door slechte/kwade prak¬tijken zo populair, als toen de hele senaat was door goede maatregelen te nemen.



 
a. Horatius Cocles spoort de Romeinen aan de brug af te breken (10.1-4)

1 Toen de vijanden aanwezig waren, trekken ze ieder voor zich weg naar de stad (van)uit de akkers; de stad zelf beschermen ze met garnizoenen. Som¬mige delen schenen veilig door muren, an¬dere delen door de in de weg liggende Tiber/door¬dat de Tiber in de weg ligt: de brug op houten palen gaf bijna toegang aan de vijanden, als er niet één man was geweest, Horatius Cocles; 5 die dag had het lot van de stad Rome hém als bolwerk. Deze, toevallig op wacht(post) van de brug ge¬plaatst, toen hij had gezien dat de Janiculum door een plotselinge aanval was ingenomen en dat vandaar snel de vijanden naar beneden renden en dat de angstige menigte van zijn mannen hun wapens en gelederen verlieten, hen een voor een tegenhoudend, blokkerend en zich beroepend op 10 de trouw van goden en mensen, bezwoer dat ze vergeefs, nadat ze hun post hadden verlaten, vluchten; als ze de brug, na die overgegaan te zijn, achter zich zouden hebben gelaten, er spoedig meer vijanden op de Palatijn en het Capitool zouden zijn dan op de Janiculum. Dus spoorde hij (hen) aan, beval (hun) om de brug met ijzer, vuur, welk geweld ook maar af te breken: dat hij de ¬aanval van de vijanden, voorzover die 15 met één lichaam kon worden tegengehouden, zou op¬vangen.


 
b. Horatius Cocles daagt de Etrusken uit (10.5-9)

1 Vervolgens begeeft hij zich naar de eerste toegang van de brug, en opvallend temidden van de in het oog springende ruggen van hen die zich onttrekken aan het gevecht, met de wapens in de aanslag om het gevecht (van) man tegen man te beginnen, verbijsterde hij door juist het wonder van moed de vijanden. Toch hield eergevoel twee samen met hem tegen, Spurius 5 Larcius en Titus Herminius, beiden beroemd door geslacht/af¬komst en daden. Met dezen hield hij korte tijd de eerste storm van het gevaar en, dat wat het meest chaotische deel van het gevecht was, uit; daarna dwong hij ook henzelf, toen een klein deel van de brug achtergelaten/over was, (en) toen zij die (hem) afbraken hen terugriepen, naar een veilige plaats te gaan. Terwijl hij vervolgens zijn grimmige 10 ogen dreigend rond liet gaan naar de voornaamsten van de Etrusken, daagde hij ze nu eens één voor één uit, dan weer maakte hij allen/iedereen verwijten: dat zij als slaven van trotse koningen, hun eigen vrijheid vergetend, kwamen om die van een ander te belagen. Ze aarzelden een tijdje, terwijl de een de ander in de gaten houdt om het gevecht te beginnen; eergevoel bracht vervolgens de strijd in beweging, en na geschreeuw 15 te hebben aangeheven, werpen ze van alle ¬kanten werptuigen/wapens naar één vijand.


 
c. Dankzij Horatius wordt de brug op tijd gesloopt (10.10-13)

1 Toen deze allemaal in het ervoorgehouden schild vast waren blijven steken, en hij niet minder vasthoudend, stevig wijdbeens staand, de brug bezet hield, probeerden ze nu/eindelijk met een aanval de man te verdrijven, toen tegelijkertijd/zowel het gekraak van het breken van de brug, tegelijkertijd/als het geschreeuw van de Romeinen, aangeheven door/uit blijdschap over het vol¬tooien van het werk, 5 door/uit een plotselinge angst de aanval tegenhield(en). Toen zei Cocles: ‘Vader Tiber, (tot) u, heilige, smeek ik, moge u deze wapens en deze soldaat in uw genadige rivier opnemen.’ Aldus sprong hij, zo gewapend, in de Tiber en terwijl vele werptuigen/wapens erboven op/boven op hem vielen, zwom hij ongedeerd naar de overkant naar de zijnen, nadat hij een daad had (aan)gedurfd die meer roem zou hebben bij het nageslacht dan geloof¬(waardigheid). 10 De staat/burgerij was dankbaar jegens zo grote moed; er werd een standbeeld op het Comitium geplaatst; zoveel land als hij in één dag met een vore kon omgeven/beploegen, werd hem gegeven. Ook privésympathieën vielen in het oog temidden van publieke eerbewijzen; want on¬danks de grote armoede droeg iedereen in verhouding tot zijn eigen voorraden iets voor hem bij, zichzelf berovend van zijn eigen levensonderhoud.

 
Vertalingen H13

a. Gaius Mucius heeft een plan (12.1-5)

1 De belegering en gebrek aan koren gepaard gaande met de hoogste prijs duurde niettemin voort, en Porsenna had de hoop dat hij door te blijven belegeren de stad zou veroveren, toen Gaius Mucius, een adellijke jongeman, die het schandelijk vond dat het Romeinse volk toen het slaaf was, toen het onder de koningen 5 was, door geen enkele oorlog noch door enige vijanden werd belegerd, (maar) dat hetzelfde volk (nu het) vrij (was) door dezelfde Etrusken werd belegerd, wier legers het dikwijls heeft verslagen – dus menend/in de mening dat met een of andere grote en vermetele daad die schande moest worden gewroken, be¬sluit/besloot hij eerst om op eigen initiatief het legerkamp van de vijand(en) binnen te dringen; daarna, vrezend dat, als 10 hij zonder bevel van de consuls en, terwijl allen onwetend zijn/ buiten medeweten van iedereen zou gaan, (als hij) toevallig betrapt (werd) door de Romeinse bewakers zou worden teruggebracht als overloper, omdat de situatie van toen de be¬schuldiging aannemelijk maakte, gaat hij naar de senaat. ‘Ik wil de Tiber oversteken’, zei hij, ‘senatoren, en het kamp van de vijanden, als ik (dat) zou kunnen, binnengaan, niet als plunderaar noch op mijn beurt als wreker van de plunde¬ringen; een grotere daad, als de goden (mij) ¬helpen, 15 ben ik van plan’. De senatoren geven hun toestemming; nadat hij een zwaard heeft verborgen onder zijn kleding, vertrekt hij.


b. De aanslag op de koning mislukt (12.6-11)

1 Toen hij daar kwam, ging hij in de zeer dicht opeengedrongen menigte dichtbij het koninklijk podium staan. Toen/omdat daar toevallig soldij werd gegeven aan de soldaten en de secretaris samen met/naast de koning zittend/gezeten met ongeveer gelijke kleding (aan) druk bezig was, en soldaten met zijn allen naar hem toe gingen, ¬vrezend te vragen wie van beiden Porsenna was, op¬dat niet/om te voorkomen dat 5 door de koning niet te kennen hij zichzelf zou verraden wie hij was, doodt hij, geleid door het lot, de secretaris in plaats van de koning. Terwijl hij ¬vandaar/vervolgens ging daarlangs waar hij zelf voor zichzelf door de bange menigte met zijn bebloede zwaard een weg had gemaakt/gebaand, toen, nadat een oploop op het geschreeuw was ontstaan, de dienaren van de koning hem, na vast¬gepakt te hebben terug hadden gehaald, zei hij, voor het podium van de koning 10 (eenzaam) neergezet, ook toen nog temidden van zo grote bedreigingen van het lot meer vreeswekkend dan vrezend: ‘Ik ben Romeins burger; ze noemen mij Gaius Mucius. Als vijand wilde ik een vijand doden, en ik heb voor de dood niet minder moed dan ik had voor de moord; én dapper handelen én dapper verdragen is (typisch) Romeins. En niet ík alleen had dit voornemen jegens u; 15 een lange rij achter mij is er van ¬mannen die streven naar dezelfde eer. Daarom bereidt u op dit gevaar voor, als het u plezier doet, zodat u van uur tot uur om uw leven strijdt, (en) zwaard en vijand/een gewapende vijand in de hal van de koningstent hebt. Deze oorlog zeggen wij, Romeinse jeugd, u aan. Geen slaglinie, geen gevecht moet u vrezen; voor u alleen en met ons één voor één zal de strijd zijn.’


c. Porsenna laat Mucius ongedeerd gaan (12.12-16)

1 Toen de koning, zowel agressief door woede als door het gevaar hevig verschrikt, dreigend beval Mucius op de brandstapel te leggen, als hij niet snel vertelde, welke bedreigingen van een aanslag/dreigende aanslag voor hem hij d.m.v. raadselachtige woorden naar voren bracht, zei hij (Mucius): ‘Kijkt u dan, opdat u bemerkt/ziet hoe waardeloos een lichaam is voor hen die grote 5 roem voor ogen hebben’; zijn rechterhand hield hij in de offerpan, nadat deze was aangestoken voor het offer. Toen hij deze, alsof hij geen pijn voelde, roosterde, zei de door het wonder bijna verbijsterde koning, toen hij van zijn zetel was opgesprongen en bevolen had de jongeman van het altaar weg te halen, : ‘Jij moet werkelijk weggaan, jij die jegens jezelf meer kwaad hebt durven/durft aan (te) richten dan jegens mij. Ik zou je ¬willen gelukwensen 10 met je moed, als die moed voor míjn vaderland werd betoond; nu stuur ik je hiervandaan weg gevrijwaard van het oorlogsrecht, ongestraft en ongedeerd.’ Toen zei Mucius, als het ware een wederdienst bewijzend/alsof hij een wederdienst bewees: ‘Omdat althans er bij u een eerbewijs is voor moed, om te bewijzen dat u door uw weldaad van mij hebt verkregen/verkrijgt wat u met dreigementen niet kon (verkrijgen), zeg ik u: wij, driehonderd leiders 15 van de Romeinse jeugd, hebben zich door een eed verbonden om tegen u op deze manier te werk te gaan. Mijn lot was de eerste/het eerste lot trof mij; de anderen zullen, al naar gelang ieder aan de beurt zal zijn, ieder op zijn (eigen) tijd/moment aanwezig zijn, totdat het lot u (ons) in handen zal hebben gespeeld’.


d. De vredesvoorwaarden (13.1-5)

1 De vrijgelaten Mucius, aan wie later door het verlies van zijn rechterhand de bijnaam Scaevola werd gegeven, volgden gezanten van Porsenna naar Rome; zozeer had hem én het voorval van het eerste gevaar, waartegen hem niets behalve de vergissing van de belager had beschermd, én de gedachte dat hij zovaak voor zijn leven moest vechten 5 als er samenzweerders overbleven, angst ingeboezemd, dat hij uit eigen beweging vredesvoorwaarden aanbood aan de Romeinen. Bij (de onderhandelingen over) de voorwaarden werd vergeefs gewag gemaakt van het herstellen van de Tarquinii in de heerschappij, meer omdat hijzelf de Tarquinii dit niet had kunnen weigeren, dan omdat hij niet wist dat het hem door de Romeinen geweigerd zou worden. Er werd (door hem) gedaan gekregen dat het land aan de Veienten werd teruggegeven, 10 en de noodzaak werd aan de Romeinen opgelegd/voor de Romei¬nen vastgesteld om gijzelaars te geven, als ze zouden willen/wilden dat het garnizoen van de Janiculum werd weggeleid/weggehaald. Nadat de vrede op deze voorwaarden was gesloten, leidde Porsenna zijn leger van de Janiculum weg en ging hij weg uit/verliet hij het Romeinse land. De senatoren gaven aan Gaius Mucius vanwege zijn moed land aan de overkant van de Tiber ten geschenke, dat later ‘Mucische Weiden’ werd 15 genoemd.



 
a. Porsenna eist de gevluchte Cloelia terug

1 Dus, toen moed zo was geëerd, werden ook de vrouwen aangespoord tot roemvolle daden voor de staat, en wel het meisje Cloelia, een van de ¬gijzelaars, omdat het legerkamp van de Etrusken toevallig niet ver van de oever van de Tiber was ge¬plaatst, na de bewakers te hebben misleid, zwom als leidster van een kolonne meisjes tussen/te midden van de werptuigen/wapens van de vijand de 5 Tiber over, en bracht allen veilig naar Rome naar hun verwanten. Toen dit aan de koning werd bericht, zond hij eerst, ontbrand door/in woede, onderhandelaars naar Rome om de uit¬levering van gijzelaar Cloelia te eisen: dat hij de andere meisjes niet belangrijk vond. Daarna veranderd/omgeslagen in bewondering, zei hij dat deze daad (daden) van mannen als Cocles en Mucius overtrof, en 10 hij beweerde stellig dat hij weliswaar, als de gijzelaar niet werd terugge¬geven, het verdrag als (een) gebroken (verdrag) zou beschouwen, maar dat hij haar, als ze werd teruggegeven, ongedeerd en ongeschonden aan de haren/haar familie zou terugsturen.

 
b. Cloelia wordt geëerd (13.9-11)

1 Aan beide kanten werd het gegeven woord in acht genomen; én de Romeinen gaven het onderpand van de vrede op grond van het verdrag terug, én bij de Etruskische koning was haar moed niet alleen veilig, maar ook geëerd, en hij zei dat het geprezen meisje/hij het meisje prees en haar beloonde met een deel van de gijzelaars; zelf moest ze uitkiezen wie ze wilde. 5 Nadat allen waren voorgeleid, wordt gezegd/ zegt men dat zij de jonge jongens heeft gekozen; deze keuze was én gepast voor het feit dat ze een jong meisje was én, met instemming van de gijzelaars zelf, was het prijzenswaardig dat die leeftijd bij voorkeur werd bevrijd/vrijgelaten door de ¬vijand, die het meest geschikt was voor onrecht. Toen de vrede was hersteld, beloonden de Romeinen de ongekende moed bij een vrouw met een nieuw/ongekend soort eerbewijs, een ruiterstandbeeld; 10 op de top van de Via Sacra/Heilige Weg was een meisje zittend op een paard geplaatst.