Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2007: Aeneas Vergilius

6 4c. Dido smeekt Aeneas (314-331)

Ben ik het voor wie je vlucht? Bij deze tranen en jouw rechterhand 315 (aangezien ik zelf verder niets meer voor mij, ongelukkige, heb overgelaten) bij onze verbintenis, bij ons begonnen huwelijk, als ik mij jegens jou in enig opzicht verdienstelijk heb gemaakt of als er voor jou van mijn kant iets aangenaams was, heb dan medelijden met mijn huis dat ineenstort en, ik smeek jou, als er nog een of andere plaats is voor smeekbeden, laat dit plan varen. 320 Wegens jou haten Libische volkeren en de vorsten van de Nomaden mij, de Tyrirs zijn mij vijandig; wegens jou eveneens is mijn eergevoel verdwenen en mijn vroegere reputatie, het enige waardoor ik de sterren naderde. Voor wie verlaat jij, gastvriend, mij stervende/als gastvriend (alleen deze naam immers blijft over in plaats van echtgenoot)? 325 Waarom aarzel ik? Soms totdat mijn broer Pygmalion mijn muren verwoest of de Gaetulir Jarbas mij in gevangenschap meevoert? Als ik tenminste van jou een of ander kind vr de vlucht had gehad, als er een of andere kleine Aeneas voor mij in het paleis speelde/zou spelen, die jou ondanks alles door zijn gezichtsuitdrukking in herinnering zou roepen, 330 dan zou ik mij stellig niet helemaal bedrogen en verlaten voelen. Zij had gesproken.