Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2007: Aeneas Vergilius

4 3b. De slangen hebben het gemunt op Laoco├Ân en zijn zoons (212-233)

212 Wij vluchten uiteen doodsbleek door de aanblik. Zij gaan rechtstreeks op Laoco÷n af; en eerst omvat (part.) ieder van de beide slangen de kleine lichamen van de twee zoons, 215 omstrengelt (ze) en bijt overal in hun ongelukkige ledematen; daarna grijpen ze hem zelf terwijl hij te hulp komt en wapens brengt, en met geweldige kronkelingen omsnoeren ze hem; en al twee maal zijn middel omvattend (en) twee maal hun geschubde ruggen om zijn hals gelegd hebbend, steken ze met hun kop en hoge halsen boven hem uit. 220 Hij spant zich tegelijkertijd in om met zijn handen de knopen los te rukken, druipend/terwijl hij druipt wat betreft zijn banden door/van etter en zwart vergif, tegelijkertijd laat hij huiveringwekkend geschreeuw hemelhoog horen: een zodanig geloei/zoals geloei (is), wanneer een gewonde stier het altaar is ontvlucht en van zijn nek de onzekere bijl heeft afgeschud. 225 Maar de twee slangen vluchten glijdend weg naar de zeer hooggelegen tempel(s) en gaan naar de burcht van de wrede Tritonis, en verbergen zich onder de voeten van de godin en onder de welving van haar schild. Dan werkelijk bekruipt een nieuwe schrik (ons) allen in onze geschrokken hart(en), en zij zeggen dat Laoco÷n verdiend heeft geboet voor zijn misdaad 230 omdat hij met zijn speer het heilige eikenhout/houten paard heeft beschadigd en zijn misdadige speer naar diens rug heeft geslingerd. Zij roepen gezamenlijk dat het beeld naar de woonplaats (van de godin) moet worden geleid en dat de goddelijke macht van de godin moet worden gesmeekt.