Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Examenboeken > 2007: Aeneas Vergilius

4 2b. Slecht weer verhindert de Griekse vloot uit te varen (105-121)

105 Dan werkelijk branden wij van verlangen om (proberen) te weten te komen en te zoeken naar de/hun redenen/motieven, onwetend van zo grote misdaden en de Griekse handigheid. Hij gaat heel angstig door en vertelt huichelachtig: ‘Dikwijls verlangden de Grieken, na Troje te hebben verlaten, een vlucht voor te bereiden en vermoeid door de lange oorlog weg te gaan: 110 en ach hadden zij dat maar gedaan! Dikwijls belette hen, wanneer ze wilden gaan, de ruwe storm van de/op zee en verschrikte hen de zuidenwind. Vooral toen dit paard, bedekt met ahornhouten balken er al stond, klonken de donderwolken in de gehele hemel. In onzekerheid verkerend sturen wij Eurypylus om de orakel(s) van Phoebus te raadplegen, 115 en deze bericht deze/de volgende droevige woorden uit de tempel: ‘Met bloed hebben jullie de winden tot bedaren gebracht en wel/na door een meisje te doden/door de dood van een meisje, toen jullie, Grieken, voor het eerst naar de Trojaanse kusten zijn gekomen; met bloed moet de terugkeer worden verkregen en met een Grieks leven gunstige voortekens worden verkregen.’ Zodra deze uitspraak bij de oren van het volk was gekomen/het volk ter ore was gekomen, 120 stonden hun geesten/zij verstomd en een ijskoude rilling rende/ging tot diep in hun botten/ledematen, (terwijl zij zich afvroegen) voor wie de lotsbepalingen de dood voorbereid(d)en/voor wie zij het doodslot voorbereid(d)en, wie Apollo opeist(e).’