Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Disco > Boek 1

Hoofdstuk 11, tekst A (versie 3)

Dido was erg verdrietig, nadat de Trojanen met hun schepen de kust hadden verlaten.
S'nachts kon ze niet slapen, overdag zwierf ze door de stad
en verwaarloosde haar taken. Tenslotte verlangde Dido, omdat niets haar
woede en verdriet kon bedaren, te sterven.
Heimelijk richtte ze onder de hemel een brandstapel op. Daar(op) plaatste ze de kleren, het zwaard, een afbeelding van Aeneas en het bed, waarin ze vele nachten hadden geslapen.
Nadat ze de brandstapel had beklommen, ging ze op het bed liggen en sprak:
O goden (van de onderwereld), aanvaard nu deze ziel.
Ik heb geleefd en de loop van mijn leven voltooid. Ik heb mijn stad gezien en de muren van mijn stad.
Ik was gelukkig, totdat de schepen van de Trojanen bij / op de kust van Afrika zijn geland.
Ik heb de leider van de Trojanen bemind, maar die vluchtte met zijn schepen weg en
liet me in de steek.
Onbetrouwbare, niet zonder straf zul je mij bedriegen. Bij de sterren zweer ik:
mijn woede zal jou altijd volgen, waarheen jij ook gaat.
In Italiƫ staan zowel jou als je zoon als je kleinzonen / nakomelingen vele oorlogen
te wachten!
Nadat ze met deze woorden Aeneas had vervloekt, doorboorde ze haar borst met het zwaard. Zo beƫindigde koningin Dido haar leven.