Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com
Latijn en Grieks.com

Ascensus > 4e Jaar

De catilinae coniuratione, hoofdstuk 23

In die samenzwering zat echter Q. Curius, afkomstig uit een zeer belangrijke familie, beladen met misdaden en schurkenstreken, die de censoren omwille van zijn onzedelijke gedrag uit de senaat verwijderd hadden. Deze man bezat niet minder ijdelheid dan roekeloosheid, hij verzweeg niet wat hij te weten kwam en ook hield hij zelf zijn eigen misdaden niet verborgen, hij gaf er helemaal niet om, om te spreken en ook niet om te handelen. Hij had met Fulvia, een vrouw van adel, reeds lang een verhouding, maar toen hij voor haar minder interessant werd, omdat hij haar door geldgebrek minder geschenken kon geven, begon hij haar plots stoefend zeeėn en bergen te beloven en haar ondertussen te bedreigen met een wapen indien ze niet gewillig voor hem was, kortom hij gedroeg zich brutaler dan hij gewoon was. Toen Fulvia echter de oorzaak van het ongewoon gedrag van Curius te weten gekomen was, hield zij zo'n groot gevaar voor de staat niet verborgen maar, zonder haar informant te vermelden, vertelde ze aan heel wat mensen wat ze hoe dan ook over de samenzwering te weten gekomen was. Die zaak zette de neiging van de mensen er vooral toe aan om het consulaat toe te vertrouwen aan M. Tullius Cicero. Voordien werd het merendeel van de adel immers verteerd door afgunst, en ze geloofden dat het consulaat als het ware bezoedeld werd indien een homo novus, hoe uitstekend ook, dat zou verwerven. Maar wanneer het gevaar genaderd is, zijn afgunst en hoogmoed achterwege gebleven.