ODYSSEE VIII, 266 - 284 DE PHAEAKEN
Categorie: Boek > Examenboeken > 2018: Homerus
En hij begon terwijl hij op zijn cither speelde een mooi (lied) te zingen
over de liefde van Ares en Aphrodite met haar mooie voorhoofdsband,
hoe zij voor het eerst met elkaar naar bed gingen in het huis van Hephaestus
in het geheim; en hij gaf haar veel, en maakte te schande het huwelijk en het bed
van de heerser Hephaestus; maar terstond kwam naar hem als bode
Helios, die gezien had dat zij zich verenigden in liefde.
En Hephaestus toen hij het pijnlijke woord gehoord had,
begag zich natuurlijk op eg naar zijn smidse, in zijn hart broedend op slechte dingen,
en op het aambeeldsblok plaatste hij een groot aambeeld, en smeedde boeien,
onverbreekbare, niet los te maken, opdat zij vast/onwrikbaar op de plaats zelf zouden blijven.
En toen hij dfan de valstrik/list gemaakt had woedend op Ares,
begaf hij zich dan op weg naar de slaapkamer, waar zijn geliefde bed stond,
en rond de poten goot/spreidde hij de boeien uit in een kring naar alle kanten;
en vele (boeien) hingen ook van bovenaf vanaf het plafond/de dakbalk,
als een fijn spinnenweb, dat helemaal niemand zou kunnen zien,
zelfs niet van de gelukzalige goden; want ze waren zeer listig gemaakt.
En toen hij dan de list geheel en al rond het bed had gegoten/gespreid,
deed hij alsof hij ging naar Lemnos, de goed gebouwde stad,
die voor hem verreweg de geliefdste is van alle landen.